grossier
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iemand die in het groot verkoopt, een groothandelaar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grossiers | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grossieren
- gebiedende wijs van grossieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grossieren
Vervoeging van grossier
grossierhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘groothandelaar’ voor het eerst aangetroffen in 1485
Woordfamilie van grossier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grossiers | meervoud | grossier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grossier zijn vastgelegd.