Naar de inhoud

groenen

groen worden

groenen is meer dan één woord

groenen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. groen worden

Vervoeging van groenen

groenenhele werkwoord — groendeverleden tijd enkelvoud — groendenverleden tijd meervoud — gegroendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik groen groende
jij groent groende
hij, zij, het groent groende
wij groenen groenden
jullie groenen groenden
zij groenen groenden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gegroend verleden tijd, deelwoord
gegroend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegroend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
groen gebiedende wijs
groende verleden tijd
groene aanvoegende wijs
groenend onvoltooid, deelwoord
had gegroend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gegroend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gegroend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gegroend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gegroend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gegroend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gegroend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gegroend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gegroend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gegroend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gegroend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gegroend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gegroend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gegroend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gegroend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te groenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gegroend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen groenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gegroend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gegroend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gegroend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal groenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal groenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal groenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gegroend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gegroend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gegroend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou groenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou groenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou groenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gegroend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gegroend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gegroend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden groenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden groenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden groenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gegroend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt groenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gegroend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gegroend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gegroend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen groenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen groenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen groenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen groenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gegroend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult groenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord groen
  • meervoud van het zelfstandig naamwoord groene

Woordfamilie van groenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gegroend voltooid deelwoord groenen
gegroende woordvorm groenen
groende verleden tijd groenen
groenden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon groenen
groenend onvoltooid deelwoord groenen
groenende woordvorm groenen
groent aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon groenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van groenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over groenen

Wat betekent groenen?
Groenen is een werkwoord. Het woord betekent: groen worden.
Hoe vervoeg je groenen?
Je vervoegt groenen als volgt: de tegenwoordige tijd is groen, de verleden tijd is groende en het voltooid deelwoord is gegroend. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord groenen is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. R 2
  3. O 1
  4. E 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

groenen levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 88 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. R 2
  3. O 1
  4. E 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 10 zonder bonus
  9. 88 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

groenen telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

groenen in het kort

groenen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van groenen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort groenen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

groenen: groen worden
Deel groenen — standaardnederlands.nl