glaceren
werkwoordBetekenis
- met een laag suiker bedekken en dan verhitten zodat de suiker glanzend wordt, kan ook gedaan worden met honing
Vervoeging van glaceren
glacerenhele werkwoord — glaceerdeverleden tijd enkelvoud — glaceerdenverleden tijd meervoud — geglaceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | glaceer | glaceerde |
| jij | glaceert | glaceerde |
| hij, zij, het | glaceert | glaceerde |
| wij | glaceren | glaceerden |
| jullie | glaceren | glaceerden |
| zij | glaceren | glaceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geglaceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geglaceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geglaceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geglaceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geglaceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geglaceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geglaceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geglaceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geglaceerd | verleden tijd, deelwoord |
| geglaceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geglaceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geglaceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglaceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglaceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglaceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geglaceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geglaceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geglaceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geglaceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| glaceer | gebiedende wijs |
| glaceerde | verleden tijd |
| glacere | aanvoegende wijs |
| glacerend | onvoltooid, deelwoord |
| had geglaceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geglaceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geglaceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geglaceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geglaceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geglaceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geglaceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglaceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te glaceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geglaceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen glaceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geglaceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geglaceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geglaceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geglaceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geglaceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geglaceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geglaceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geglaceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geglaceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglaceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geglaceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geglaceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglaceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geglaceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geglaceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglaceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglaceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglaceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglaceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglaceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geglaceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geglaceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geglaceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geglaceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geglaceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geglaceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geglaceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geglaceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geglaceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geglaceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geglaceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geglaceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geglaceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geglaceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen glaceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geglaceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geglaceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geglaceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult glaceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘met een gladde laag overdekken’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van glaceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geglaceerd | voltooid deelwoord | glaceren |
| geglaceerde | woordvorm | glaceren |
| glaceer | gebiedende wijs | glaceren |
| glaceerde | verleden tijd | glaceren |
| glaceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | glaceren |
| glaceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | glaceren |
| glacere | aanvoegende wijs | glaceren |
| glacerend | onvoltooid deelwoord | glaceren |
| glacerende | woordvorm | glaceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glaceren zijn vastgelegd.