glaciaal
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- koudere fase binnen een ijstijd
- betrekking hebbend op de poolstreken, een ijstijd, een glaciaal of op gletsjers
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| glacialen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘m.b.t. de ijstijd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1882
Woordfamilie van glaciaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| glaciaals | woordvorm | glaciaal |
| glaciaalst | woordvorm | glaciaal |
| glaciaalste | woordvorm | glaciaal |
| glaciale | woordvorm | glaciaal |
| glacialen | meervoud | glaciaal |
| glacialer | woordvorm | glaciaal |
| glacialere | woordvorm | glaciaal |
| glacialers | woordvorm | glaciaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glaciaal zijn vastgelegd.