Naar de inhoud

gisten

een proces van fermentatie ondergaan

gisten is meer dan één woord

gisten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. een proces van fermentatie ondergaan
  2. een proces van fermentatie doen ondergaan

Vervoeging van gisten

gistenhele werkwoord — gistteverleden tijd enkelvoud — gisttenverleden tijd meervoud — gegistvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik gist gistte
jij gist gistte
hij, zij, het gist gistte
wij gisten gistten
jullie gisten gistten
zij gisten gistten
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben gegist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gegist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gegist impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gegist impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gegist impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gegist impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gegist worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gegist zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gegist worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gegist zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gegist verleden tijd, deelwoord
gegist te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gegist te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gegist te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegist te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegist te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegist worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gegist zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gegist zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gegist zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gegist zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gist gebiedende wijs
giste aanvoegende wijs
gistend onvoltooid, deelwoord
gistte verleden tijd
hebben gegist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is gegist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gegist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te gisten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben/zijn gegist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gisten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gegist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gegist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gegist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gegist voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gegist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gegist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gegist voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gegist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gegist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gegist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gegist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gegist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gegist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gegist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gegist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gegist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gegist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gisten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gegist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van gissen

Vervoeging van gisten

gistenhele werkwoord — gistteverleden tijd enkelvoud — gisttenverleden tijd meervoud — gegistvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik gist gistte
jij gist gistte
hij, zij, het gist gistte
wij gisten gistten
jullie gisten gistten
zij gisten gistten
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben gegist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gegist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gegist impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gegist impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gegist impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gegist impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gegist worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gegist zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gegist worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gegist zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gegist verleden tijd, deelwoord
gegist te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gegist te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gegist te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegist te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegist te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gegist worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gegist zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gegist zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gegist zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gegist zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gist gebiedende wijs
giste aanvoegende wijs
gistend onvoltooid, deelwoord
gistte verleden tijd
hebben gegist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is gegist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gegist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te gisten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben/zijn gegist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gisten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gegist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gegist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gegist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gegist voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gegist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gegist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gegist voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gegist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gegist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gegist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gegist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gegist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gegist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gegist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gegist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gegist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gegist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gegist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gisten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gegist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gegist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gegist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gisten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gegist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gegist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gisten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord gist

Woordfamilie van gisten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gistend onvoltooid deelwoord gisten
gistende woordvorm gisten
gistte verleden tijd gisten
gistten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gisten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gisten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over gisten

Wat is de betekenis van gisten?
Gisten is een werkwoord. De betekenis is: een proces van fermentatie ondergaan. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik gisten?
Zo vervoeg je gisten zo: de tegenwoordige tijd is gist, de verleden tijd is gistte en het voltooid deelwoord is gegist. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gisten is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. I 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gisten levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. I 2
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 zonder bonus
  8. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gisten telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

gisten in het kort

gisten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van gisten staan er 62 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort gisten bij een woordfamilie van 4 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

gisten: een proces van fermentatie ondergaan
Deel gisten — standaardnederlands.nl