gisten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een proces van fermentatie ondergaan
- een proces van fermentatie doen ondergaan
Vervoeging van gisten
gistenhele werkwoord — gistteverleden tijd enkelvoud — gisttenverleden tijd meervoud — gegistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gist | gistte |
| jij | gist | gistte |
| hij, zij, het | gist | gistte |
| wij | gisten | gistten |
| jullie | gisten | gistten |
| zij | gisten | gistten |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gegist | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gegist | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gegist | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gegist | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gegist worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gegist zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gegist worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gegist zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegist | verleden tijd, deelwoord |
| gegist te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegist te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegist te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegist te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegist te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegist worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegist zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegist zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegist zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegist zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gist | gebiedende wijs |
| giste | aanvoegende wijs |
| gistend | onvoltooid, deelwoord |
| gistte | verleden tijd |
| hebben gegist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gisten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben/zijn gegist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gisten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gisten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van gissen
Vervoeging van gisten
gistenhele werkwoord — gistteverleden tijd enkelvoud — gisttenverleden tijd meervoud — gegistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gist | gistte |
| jij | gist | gistte |
| hij, zij, het | gist | gistte |
| wij | gisten | gistten |
| jullie | gisten | gistten |
| zij | gisten | gistten |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gegist | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gegist | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gegist | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gegist | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gegist worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gegist zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gegist worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gegist zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegist | verleden tijd, deelwoord |
| gegist te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegist te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegist te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegist te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegist te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegist worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegist zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegist zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegist zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegist zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gist | gebiedende wijs |
| giste | aanvoegende wijs |
| gistend | onvoltooid, deelwoord |
| gistte | verleden tijd |
| hebben gegist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gisten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben/zijn gegist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gisten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gegist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gegist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gisten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gisten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegist zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gisten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gist
Woordfamilie van gisten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gistend | onvoltooid deelwoord | gisten |
| gistende | woordvorm | gisten |
| gistte | verleden tijd | gisten |
| gistten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gisten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gisten zijn vastgelegd.