gissen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een vermoeden uitspreken over iets
Vervoeging van gissen
gissenhele werkwoord — gisteverleden tijd enkelvoud — gistenverleden tijd meervoud — gegistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gis | giste |
| jij | gist | giste |
| hij, zij, het | gist | giste |
| wij | gissen | gisten |
| jullie | gissen | gisten |
| zij | gissen | gisten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegist | verleden tijd, deelwoord |
| gegist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gis | gebiedende wijs |
| gisse | aanvoegende wijs |
| gissend | onvoltooid, deelwoord |
| giste | verleden tijd |
| had gegist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gis
Herkomst
In de betekenis van ‘raden’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van gissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegiste | woordvorm | gissen |
| gissend | onvoltooid deelwoord | gissen |
| gissende | woordvorm | gissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gissen zijn vastgelegd.