gezegde
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- een vaste idiomatische verbinding met een figuurlijke betekenis, maar zonder werkwoord
- het geheel van alle werk- en naamwoorden in een zin die samen met het onderwerp de zinsbasis (zinskern) vormen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gezegden | meervoud |
| gezegdes | meervoud |
| gezegdetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gezegdetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- verbogen vorm van gezegd, voltooid deelwoord van zeggen
Vervoeging van gezegde
gezegdehele werkwoord
Woordvorm
- verbogen vorm van de stellende trap van gezegd
Herkomst
In de betekenis van ‘spreekwijze’ voor het eerst aangetroffen in 1785
Woordfamilie van gezegde
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezegden | meervoud | gezegde |
| gezegdes | meervoud | gezegde |
| gezegdetje | verkleinwoord | gezegde |
| gezegdetjes | verkleinwoord meervoud | gezegde |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gezegde zijn vastgelegd.