Naar de inhoud

gevangenzitten

in de gevangenis verblijven

gevangenzitten

werkwoord

Betekenis

  1. in de gevangenis verblijven

Vervoeging van gevangenzitten

gevangenzittenhele werkwoord — zat gevangenverleden tijd enkelvoud — zaten gevangenverleden tijd meervoud — gevangengezetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zit gevangen zat gevangen
jij zit gevangen zat gevangen
hij, zij, het zit gevangen zat gevangen
wij zitten gevangen zaten gevangen
jullie zitten gevangen zaten gevangen
zij zitten gevangen zaten gevangen
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gevangen te zitten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevangen te zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevangen zal zitten bijzin, toekomende tijd
gevangen zou zitten bijzin, voorwaardelijk
gevangen zouden zitten bijzin, voorwaardelijk
gevangen zoudt zitten bijzin, voorwaardelijk
gevangen zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevangen zullen zitten bijzin, toekomende tijd
gevangen zult zitten bijzin, toekomende tijd
gevangengezeten verleden tijd, deelwoord
gevangengezeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevangengezeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevangenzat bijzin, verleden tijd
gevangenzaten bijzin, verleden tijd
gevangenzit bijzin, tegenwoordige tijd
gevangenzittend onvoltooid, deelwoord
had gevangengezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevangengezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevangengezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevangengezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevangengezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevangengezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevangengezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevangengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevangengezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevangengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevangengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevangengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevangengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevangengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevangengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gevangengezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gevangenzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gevangengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevangengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevangengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gevangenzitten bijzin, toekomende tijd
zat gevangen verleden tijd
zit gevangen gebiedende wijs
zou gevangengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevangengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevangengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gevangenzitten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gevangenzitten gevangen zou(dt) zitten bijzin, voorwaardelijk
zouden gevangengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevangengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevangengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gevangenzitten bijzin, voorwaardelijk
zoudt gevangengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gevangenzitten bijzin, voorwaardelijk
zullen gevangengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevangengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevangengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevangenzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gevangenzitten bijzin, toekomende tijd
zult gevangengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gevangenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gevangenzitten bijzin, toekomende tijd
zult/zal gevangenzitten gevangen zult/zal zitten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van gevangen en zitten

Woordfamilie van gevangenzitten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gevangengezeten voltooid deelwoord gevangenzitten
gevangenzat subordinate-clause, verleden tijd gevangenzitten
gevangenzaten subordinate-clause, verleden tijd gevangenzitten
gevangenzit subordinate-clause, tegenwoordige tijd gevangenzitten
gevangenzitte with-subordinate-clause gevangenzitten
gevangenzittend onvoltooid deelwoord gevangenzitten
gevangenzittende woordvorm gevangenzitten
zat gevangen verleden tijd gevangenzitten
zaten gevangen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gevangenzitten
zit gevangen gebiedende wijs gevangenzitten
zitte gevangen woordvorm gevangenzitten
zitten gevangen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon gevangenzitten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gevangenzitten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over gevangenzitten

Wat betekent gevangenzitten?
Gevangenzitten is een werkwoord. Het woord betekent: in de gevangenis verblijven.
Hoe vervoeg je gevangenzitten?
Je vervoegt gevangenzitten als volgt: het voltooid deelwoord is gevangengezeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gevangenzitten is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. Z 4
  10. I 1
  11. T 2
  12. T 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gevangenzitten levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. Z 5
  10. I 2
  11. T 2
  12. T 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 28 zonder bonus
  16. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gevangenzitten in het kort

gevangenzitten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van gevangenzitten zijn 43 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort gevangenzitten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

gevangenzitten: in de gevangenis verblijven
Deel gevangenzitten — standaardnederlands.nl