gevangenzitten
werkwoordBetekenis
- in de gevangenis verblijven
Vervoeging van gevangenzitten
gevangenzittenhele werkwoord — zat gevangenverleden tijd enkelvoud — zaten gevangenverleden tijd meervoud — gevangengezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit gevangen | zat gevangen |
| jij | zit gevangen | zat gevangen |
| hij, zij, het | zit gevangen | zat gevangen |
| wij | zitten gevangen | zaten gevangen |
| jullie | zitten gevangen | zaten gevangen |
| zij | zitten gevangen | zaten gevangen |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevangen te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevangen te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevangen zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| gevangen zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| gevangen zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| gevangen zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| gevangen zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevangen zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| gevangen zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| gevangengezeten | verleden tijd, deelwoord |
| gevangengezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevangengezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevangenzat | bijzin, verleden tijd |
| gevangenzaten | bijzin, verleden tijd |
| gevangenzit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gevangenzittend | onvoltooid, deelwoord |
| had gevangengezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevangengezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevangengezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevangengezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevangengezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevangengezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevangengezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevangengezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevangengezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevangengezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevangengezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevangengezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevangengezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevangengezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevangengezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevangengezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gevangenzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gevangengezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevangengezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevangengezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gevangenzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat gevangen | verleden tijd |
| zit gevangen | gebiedende wijs |
| zou gevangengezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevangengezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevangengezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevangenzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gevangenzitten gevangen zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gevangengezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevangengezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevangengezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gevangenzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gevangengezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gevangenzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gevangengezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevangengezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevangengezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevangenzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gevangenzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult gevangengezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevangenzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gevangenzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal gevangenzitten gevangen zult/zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van gevangen en zitten
Woordfamilie van gevangenzitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevangengezeten | voltooid deelwoord | gevangenzitten |
| gevangenzat | subordinate-clause, verleden tijd | gevangenzitten |
| gevangenzaten | subordinate-clause, verleden tijd | gevangenzitten |
| gevangenzit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gevangenzitten |
| gevangenzitte | with-subordinate-clause | gevangenzitten |
| gevangenzittend | onvoltooid deelwoord | gevangenzitten |
| gevangenzittende | woordvorm | gevangenzitten |
| zat gevangen | verleden tijd | gevangenzitten |
| zaten gevangen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gevangenzitten |
| zit gevangen | gebiedende wijs | gevangenzitten |
| zitte gevangen | woordvorm | gevangenzitten |
| zitten gevangen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | gevangenzitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gevangenzitten zijn vastgelegd.