gesticuleren
werkwoordBetekenis
- gebaren maken, vooral bij het spreken
Vervoeging van gesticuleren
gesticulerenhele werkwoord — gesticuleerdeverleden tijd enkelvoud — gesticuleerdenverleden tijd meervoud — gegesticuleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gesticuleer | gesticuleerde |
| jij | gesticuleert | gesticuleerde |
| hij, zij, het | gesticuleert | gesticuleerde |
| wij | gesticuleren | gesticuleerden |
| jullie | gesticuleren | gesticuleerden |
| zij | gesticuleren | gesticuleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegesticuleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gegesticuleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegesticuleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesticuleer | gebiedende wijs |
| gesticuleerde | verleden tijd |
| gesticulere | aanvoegende wijs |
| gesticulerend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegesticuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegesticuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegesticuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegesticuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegesticuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegesticuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegesticuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegesticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegesticuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegesticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegesticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegesticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegesticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegesticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegesticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gesticuleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegesticuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gesticuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegesticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegesticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegesticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegesticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegesticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegesticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegesticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegesticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegesticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegesticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegesticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegesticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegesticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesticuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegesticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesticuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gebaren maken’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Woordfamilie van gesticuleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegesticuleerd | voltooid deelwoord | gesticuleren |
| gesticuleer | gebiedende wijs | gesticuleren |
| gesticuleerde | verleden tijd | gesticuleren |
| gesticuleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gesticuleren |
| gesticuleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gesticuleren |
| gesticulere | aanvoegende wijs | gesticuleren |
| gesticulerend | onvoltooid deelwoord | gesticuleren |
| gesticulerende | woordvorm | gesticuleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gesticuleren zijn vastgelegd.