gereedzetten
werkwoordBetekenis
- iets ergens gereed voor gebruik neerzetten
Vervoeging van gereedzetten
gereedzettenhele werkwoord — zette gereedverleden tijd enkelvoud — zetten gereedverleden tijd meervoud — gereedgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet gereed | zette gereed |
| jij | zet gereed | zette gereed |
| hij, zij, het | zet gereed | zette gereed |
| wij | zetten gereed | zetten gereed |
| jullie | zetten gereed | zetten gereed |
| zij | zetten gereed | zetten gereed |
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gereed te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereed te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereed zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gereed zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereed zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gereed zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gereedgezet | verleden tijd, deelwoord |
| gereedgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereedgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereedzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gereedzette | bijzin, verleden tijd |
| gereedzettend | onvoltooid, deelwoord |
| had gereedgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gereedgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gereedgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gereedgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gereedgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gereedgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gereedgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereedgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gereedgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gereedzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gereedzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet gereed | gebiedende wijs |
| zette gereed | verleden tijd |
| zou gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gereedzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gereedzetten gereed zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gereedzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gereedzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gereedzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gereedzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gereedzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal gereedzetten gereed zult/zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van gereedzetten
Vervoeging van gereedzetten
gereedzettenhele werkwoord — zette gereedverleden tijd enkelvoud — zetten gereedverleden tijd meervoud — gereedgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet gereed | zette gereed |
| jij | zet gereed | zette gereed |
| hij, zij, het | zet gereed | zette gereed |
| wij | zetten gereed | zetten gereed |
| jullie | zetten gereed | zetten gereed |
| zij | zetten gereed | zetten gereed |
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gereed te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereed te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereed zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gereed zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gereed zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereed zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gereed zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gereedgezet | verleden tijd, deelwoord |
| gereedgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereedgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereedzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gereedzette | bijzin, verleden tijd |
| gereedzettend | onvoltooid, deelwoord |
| had gereedgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gereedgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gereedgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gereedgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gereedgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gereedgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gereedgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereedgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereedgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gereedgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gereedzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gereedzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet gereed | gebiedende wijs |
| zette gereed | verleden tijd |
| zou gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gereedzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gereedzetten gereed zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gereedzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gereedgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gereedzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gereedzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gereedzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult gereedgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gereedzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gereedzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal gereedzetten gereed zult/zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van gereed en zetten
Woordfamilie van gereedzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gereedgezet | voltooid deelwoord | gereedzetten |
| gereedzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gereedzetten |
| gereedzette | subordinate-clause, verleden tijd | gereedzetten |
| gereedzettend | onvoltooid deelwoord | gereedzetten |
| gereedzettende | woordvorm | gereedzetten |
| zet gereed | gebiedende wijs | gereedzetten |
| zette gereed | verleden tijd | gereedzetten |
| zetten gereed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | gereedzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gereedzetten zijn vastgelegd.