Naar de inhoud

gereedzetten

iets ergens gereed voor gebruik neerzetten

gereedzetten

werkwoord

Betekenis

  1. iets ergens gereed voor gebruik neerzetten

Vervoeging van gereedzetten

gereedzettenhele werkwoord — zette gereedverleden tijd enkelvoud — zetten gereedverleden tijd meervoud — gereedgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet gereed zette gereed
jij zet gereed zette gereed
hij, zij, het zet gereed zette gereed
wij zetten gereed zetten gereed
jullie zetten gereed zetten gereed
zij zetten gereed zetten gereed
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gereed te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereed te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereed zal zetten bijzin, toekomende tijd
gereed zou zetten bijzin, voorwaardelijk
gereed zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
gereed zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
gereed zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereed zullen zetten bijzin, toekomende tijd
gereed zult zetten bijzin, toekomende tijd
gereedgezet verleden tijd, deelwoord
gereedgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereedgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereedzet bijzin, tegenwoordige tijd
gereedzette bijzin, verleden tijd
gereedzettend onvoltooid, deelwoord
had gereedgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gereedgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gereedgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gereedgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gereedgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gereedgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gereedgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereedgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gereedgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gereedzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gereedzetten bijzin, toekomende tijd
zet gereed gebiedende wijs
zette gereed verleden tijd
zou gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gereedzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gereedzetten gereed zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gereedzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gereedzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereedzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gereedzetten bijzin, toekomende tijd
zult gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gereedzetten bijzin, toekomende tijd
zult/zal gereedzetten gereed zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van gereedzetten

Vervoeging van gereedzetten

gereedzettenhele werkwoord — zette gereedverleden tijd enkelvoud — zetten gereedverleden tijd meervoud — gereedgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet gereed zette gereed
jij zet gereed zette gereed
hij, zij, het zet gereed zette gereed
wij zetten gereed zetten gereed
jullie zetten gereed zetten gereed
zij zetten gereed zetten gereed
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gereed te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereed te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereed zal zetten bijzin, toekomende tijd
gereed zou zetten bijzin, voorwaardelijk
gereed zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
gereed zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
gereed zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereed zullen zetten bijzin, toekomende tijd
gereed zult zetten bijzin, toekomende tijd
gereedgezet verleden tijd, deelwoord
gereedgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereedgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereedzet bijzin, tegenwoordige tijd
gereedzette bijzin, verleden tijd
gereedzettend onvoltooid, deelwoord
had gereedgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gereedgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gereedgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gereedgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gereedgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gereedgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gereedgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereedgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereedgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gereedgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gereedzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gereedzetten bijzin, toekomende tijd
zet gereed gebiedende wijs
zette gereed verleden tijd
zou gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gereedzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gereedzetten gereed zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gereedzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt gereedgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gereedzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereedzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gereedzetten bijzin, toekomende tijd
zult gereedgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gereedzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gereedzetten bijzin, toekomende tijd
zult/zal gereedzetten gereed zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van gereed en zetten

Woordfamilie van gereedzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gereedgezet voltooid deelwoord gereedzetten
gereedzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd gereedzetten
gereedzette subordinate-clause, verleden tijd gereedzetten
gereedzettend onvoltooid deelwoord gereedzetten
gereedzettende woordvorm gereedzetten
zet gereed gebiedende wijs gereedzetten
zette gereed verleden tijd gereedzetten
zetten gereed aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon gereedzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gereedzetten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over gereedzetten

Wat betekent gereedzetten?
Gereedzetten is een werkwoord. Het woord betekent: iets ergens gereed voor gebruik neerzetten.
Hoe vervoeg je gereedzetten?
Je vervoegt gereedzetten als volgt: het voltooid deelwoord is gereedgezet. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gereedzetten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. D 2
  7. Z 4
  8. E 1
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gereedzetten levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. D 2
  7. Z 5
  8. E 1
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 zonder bonus
  14. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gereedzetten in het kort

gereedzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van gereedzetten zijn 41 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort gereedzetten bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

gereedzetten: iets ergens gereed voor gebruik neerzetten
Deel gereedzetten — standaardnederlands.nl