Naar de inhoud

gelijken

lijken (op)

gelijken is meer dan één woord

gelijken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. lijken (op)

Vervoeging van gelijken

gelijkenhele werkwoord — geleekverleden tijd enkelvoud — gelekenverleden tijd meervoud — gelekenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik gelijk geleek
jij gelijkt geleek
hij, zij, het gelijkt geleek
wij gelijken geleken
jullie gelijken geleken
zij gelijken geleken
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geleek verleden tijd
geleken verleden tijd, deelwoord
geleken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geleken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijk gebiedende wijs
gelijke aanvoegende wijs
gelijkend onvoltooid, deelwoord
had geleken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geleken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geleken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geleken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geleken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geleken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geleken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geleken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geleken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geleken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geleken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geleken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geleken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geleken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geleken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te gelijken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geleken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gelijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geleken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geleken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geleken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geleken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geleken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geleken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geleken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geleken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geleken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geleken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geleken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geleken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geleken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geleken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord gelijke

Herkomst

In de betekenis van ‘gelijk zijn aan’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Woordfamilie van gelijken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geleek verleden tijd gelijken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over gelijken

Wat is de betekenis van gelijken?
Gelijken is een werkwoord. De betekenis is: lijken (op).
Hoe vervoeg ik gelijken?
Zo vervoeg je gelijken zo: de tegenwoordige tijd is gelijk, de verleden tijd is geleek en het voltooid deelwoord is geleken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gelijken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gelijken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. J 4
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gelijken in het kort

gelijken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van gelijken staan er 31 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien.

gelijken: lijken (op)
Deel gelijken — standaardnederlands.nl