ganzenborden
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het klassieke bordspel ganzenbord spelen
Vervoeging van ganzenborden
ganzenbordenhele werkwoord — ganzenborddeverleden tijd enkelvoud — ganzenborddenverleden tijd meervoud — geganzenbordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ganzenbord | ganzenbordde |
| jij | ganzenbordt | ganzenbordde |
| hij, zij, het | ganzenbordt | ganzenbordde |
| wij | ganzenborden | ganzenbordden |
| jullie | ganzenborden | ganzenbordden |
| zij | ganzenborden | ganzenbordden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| ganzenbord | gebiedende wijs |
| ganzenbordde | verleden tijd |
| ganzenborde | aanvoegende wijs |
| ganzenbordend | onvoltooid, deelwoord |
| geganzenbord | verleden tijd, deelwoord |
| geganzenbord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geganzenbord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geganzenbord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geganzenbord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geganzenbord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geganzenbord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geganzenbord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geganzenbord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geganzenbord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geganzenbord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geganzenbord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geganzenbord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geganzenbord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geganzenbord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geganzenbord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geganzenbord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geganzenbord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te ganzenborden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geganzenbord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ganzenborden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geganzenbord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geganzenbord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geganzenbord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geganzenbord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geganzenbord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geganzenbord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geganzenbord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geganzenbord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geganzenbord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geganzenbord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ganzenborden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geganzenbord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geganzenbord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geganzenbord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ganzenborden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geganzenbord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ganzenbord
Herkomst
Afgeleid van ganzenbord met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ganzenborden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ganzenbordde | verleden tijd | ganzenborden |
| ganzenbordden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ganzenborden |
| ganzenborde | aanvoegende wijs | ganzenborden |
| ganzenbordend | onvoltooid deelwoord | ganzenborden |
| ganzenbordende | woordvorm | ganzenborden |
| ganzenbordt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ganzenborden |
| geganzenbord | voltooid deelwoord | ganzenborden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ganzenborden zijn vastgelegd.