gamma
zelfstandig naamwoord ˈɣɑmaBetekenis
- de derde letter van het Griekse alfabet
- lettercijfer voor 0,001 mg
- toonladder
- naar sterkte, intensiteit enz. geordende reeks
Hoe spreek je gamma uit?
/ˈxɑma/
Gamma bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- derde letter van het Griekse alfabet
- reeks noten in opvolgende toonhoogte met een bepaalde toonafstand
- reeks die geordend is naar een eigenschap als sterkte, intensiteit of kleur
- geheel van verschillende producten of diensten waaruit bij een leverancier kan worden gekozen
- iemand die mens en samenleving bestudeert met kwantitatieve methoden Ook vaak als eerste deel van een samenstelling die naar zo'n vakgebied verwijst.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gamma's | meervoud |
| gammaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gammaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Oudgrieks γάμμα (gámma), in de betekenis van ‘Griekse letter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1581 **[3] naar de benaming voor de laagste noot in systeem voor muzieknotatie dat Guido van Arezzo in de middeleeuwen ontwikkelde **[4] bij uitbreiding, omdat een toonladder ook een geordende reeks is **[5] bij uitbreiding, waarbij het uitgebreide aanbod als een lange reeks wordt gedacht **[6] naar analogie van alfa en beta als aanduiding van vakgebieden
Woordfamilie van gamma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gamma's | meervoud | gamma |
| gammaatje | verkleinwoord | gamma |
| gammaatjes | verkleinwoord meervoud | gamma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gamma zijn vastgelegd.