föhn
zelfstandig naamwoord, werkwoord /føn/Betekenis
- een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel, een haarföhn
- een warme droge wind afkomstig uit Italië die vaak aan de noordzijde van de Alpen waait
- haarföhn; een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
- föhnwind; een warme droge wind afkomstig uit Italië die vaak aan de noordzijde van de Alpen waait
- sušič, sušič vlasov
- vysoušeč vlasů
- vítr
Hoe spreek je föhn uit?
/føn/
Föhn bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ø | deur |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| föhns | meervoud |
| föhntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| föhntjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van föhnen
- gebiedende wijs van föhnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van föhnen
Vervoeging van föhn
föhnhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘warme valwind’ (die van de Alpen neerdaalt) voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van föhn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| föhns | meervoud | föhn |
| föhntje | verkleinwoord | föhn |
| föhntjes | verkleinwoord meervoud | föhn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van föhn zijn vastgelegd.