frazelen
werkwoordBetekenis
- onverstaanbaar murmelen, geluidjes maken, zacht prevelen
Vervoeging van frazelen
frazelenhele werkwoord — frazeldeverleden tijd enkelvoud — frazeldenverleden tijd meervoud — gefrazeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | frazel | frazelde |
| jij | frazelt | frazelde |
| hij, zij, het | frazelt | frazelde |
| wij | frazelen | frazelden |
| jullie | frazelen | frazelden |
| zij | frazelen | frazelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| frazel | gebiedende wijs |
| frazelde | verleden tijd |
| frazele | aanvoegende wijs |
| frazelend | onvoltooid, deelwoord |
| gefrazeld | verleden tijd, deelwoord |
| gefrazeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrazeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefrazeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefrazeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefrazeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefrazeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefrazeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefrazeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefrazeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefrazeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefrazeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefrazeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefrazeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefrazeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefrazeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefrazeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefrazeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te frazelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefrazeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen frazelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefrazeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrazeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefrazeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefrazeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrazeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrazeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefrazeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefrazeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefrazeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefrazeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen frazelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefrazeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefrazeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefrazeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult frazelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefrazeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit emfatische vorm van vazen "verward praten" met het achtervoegsel -el
Woordfamilie van frazelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| frazel | gebiedende wijs | frazelen |
| frazelde | verleden tijd | frazelen |
| frazelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | frazelen |
| frazele | aanvoegende wijs | frazelen |
| frazelend | onvoltooid deelwoord | frazelen |
| frazelende | woordvorm | frazelen |
| frazelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | frazelen |
| gefrazeld | voltooid deelwoord | frazelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van frazelen zijn vastgelegd.