fraseren
werkwoordBetekenis
- in frasen onderverdelen (met name gezegd van zinnen)
- muzikale eenheden (i.e. muzikale zinnen) door middel van articulatie beter doen uitkomen
Vervoeging van fraseren
fraserenhele werkwoord — fraseerdeverleden tijd enkelvoud — fraseerdenverleden tijd meervoud — gefraseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fraseer | fraseerde |
| jij | fraseert | fraseerde |
| hij, zij, het | fraseert | fraseerde |
| wij | fraseren | fraseerden |
| jullie | fraseren | fraseerden |
| zij | fraseren | fraseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gefraseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefraseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefraseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefraseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefraseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefraseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefraseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefraseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fraseer | gebiedende wijs |
| fraseerde | verleden tijd |
| frasere | aanvoegende wijs |
| fraserend | onvoltooid, deelwoord |
| gefraseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefraseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefraseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefraseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefraseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefraseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefraseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefraseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefraseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefraseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefraseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefraseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefraseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefraseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefraseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefraseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefraseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefraseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefraseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fraseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefraseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fraseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gefraseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefraseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gefraseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefraseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefraseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gefraseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gefraseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gefraseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefraseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefraseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefraseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gefraseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefraseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gefraseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefraseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefraseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefraseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefraseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefraseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefraseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefraseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefraseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefraseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefraseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefraseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefraseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefraseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefraseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fraseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefraseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefraseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefraseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefraseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefraseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefraseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fraseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefraseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefraseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefraseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘(muzikaal) interpungeren’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van fraseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fraseer | gebiedende wijs | fraseren |
| fraseerde | verleden tijd | fraseren |
| fraseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fraseren |
| fraseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fraseren |
| frasere | aanvoegende wijs | fraseren |
| fraserend | onvoltooid deelwoord | fraseren |
| fraserende | woordvorm | fraseren |
| gefraseerd | voltooid deelwoord | fraseren |
| gefraseerde | woordvorm | fraseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fraseren zijn vastgelegd.