Naar de inhoud

forceren

een beslissing afdwingen

forceren

werkwoord

Betekenis

  1. een beslissing afdwingen
  2. openbreken.
  3. te veel van zichzelf vergen
  4. manier van metaal vervormen waarbij het metaal niet verwarmd wordt

werkwoord

  1. met te grote kracht iets proberen te doen en het zo kapot maken

Vervoeging van forceren

forcerenhele werkwoord — forceerdeverleden tijd enkelvoud — forceerdenverleden tijd meervoud — geforceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik forceer forceerde
jij forceert forceerde
hij, zij, het forceert forceerde
wij forceren forceerden
jullie forceren forceerden
zij forceren forceerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geforceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geforceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geforceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geforceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geforceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geforceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geforceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geforceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
forceer gebiedende wijs
forceer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
forceer u/je , forceert je gebiedende wijs
forceerde verleden tijd
forceerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
forceerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
forceerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
forceerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
forceerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
forceerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
forceerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
forceerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
forceerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
forceerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
forceert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
forceert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
forceert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
forceert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
forceert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
forceert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
forcere aanvoegende wijs
forcere zich aanvoegende wijs
forceren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
forceren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
forceren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
forcerend onvoltooid, deelwoord
geforceerd verleden tijd, deelwoord
geforceerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geforceerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geforceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geforceerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geforceerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geforceerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geforceerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geforceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geforceerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geforceerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geforceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geforceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geforceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geforceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geforceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geforceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geforceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geforceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te forceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geforceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen forceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geforceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geforceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geforceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geforceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geforceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geforceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geforceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geforceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geforceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geforceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geforceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geforceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geforceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geforceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geforceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geforceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geforceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geforceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geforceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geforceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal forceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal forceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal forceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geforceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geforceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geforceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geforceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geforceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geforceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geforceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me forceren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich forceren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je forceren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich forcerend onvoltooid, deelwoord
zich geforceerd hebben verleden tijd
zijn geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geforceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou forceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou forceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou forceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geforceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geforceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geforceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geforceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geforceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geforceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geforceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geforceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geforceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden forceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden forceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden forceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geforceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geforceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geforceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geforceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geforceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geforceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geforceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geforceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geforceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt forceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geforceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geforceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geforceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen forceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen forceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen forceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen forceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘met geweld openen’ voor het eerst aangetroffen in 1556

Woordfamilie van forceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
forceer gebiedende wijs forceren
forceerde verleden tijd forceren
forceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon forceren
forceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon forceren
forcere aanvoegende wijs forceren
forcerend onvoltooid deelwoord forceren
forcerende woordvorm forceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van forceren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over forceren

Wat betekent forceren?
Forceren is een werkwoord. Het woord betekent: een beslissing afdwingen. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je forceren?
Je vervoegt forceren als volgt: de tegenwoordige tijd is forceer, de verleden tijd is forceerde en het voltooid deelwoord is geforceerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord forceren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. O 1
  3. R 2
  4. C 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

forceren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. O 1
  3. R 2
  4. C 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

forceren in het kort

forceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van forceren zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort forceren bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

forceren: een beslissing afdwingen
Deel forceren — standaardnederlands.nl