forceren
werkwoordBetekenis
- een beslissing afdwingen
- openbreken.
- te veel van zichzelf vergen
- manier van metaal vervormen waarbij het metaal niet verwarmd wordt
werkwoord
- met te grote kracht iets proberen te doen en het zo kapot maken
Vervoeging van forceren
forcerenhele werkwoord — forceerdeverleden tijd enkelvoud — forceerdenverleden tijd meervoud — geforceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | forceer | forceerde |
| jij | forceert | forceerde |
| hij, zij, het | forceert | forceerde |
| wij | forceren | forceerden |
| jullie | forceren | forceerden |
| zij | forceren | forceerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geforceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geforceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geforceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geforceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geforceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geforceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geforceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geforceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| forceer | gebiedende wijs |
| forceer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| forceer u/je , forceert je | gebiedende wijs |
| forceerde | verleden tijd |
| forceerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| forceerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| forceerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| forceerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| forceerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| forceerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| forceerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| forceerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| forceerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| forceerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| forceert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| forceert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| forceert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| forceert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| forceert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| forceert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| forcere | aanvoegende wijs |
| forcere zich | aanvoegende wijs |
| forceren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| forceren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| forceren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| forcerend | onvoltooid, deelwoord |
| geforceerd | verleden tijd, deelwoord |
| geforceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geforceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geforceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geforceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geforceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geforceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geforceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geforceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geforceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geforceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geforceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geforceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geforceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geforceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geforceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geforceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geforceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geforceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te forceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geforceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen forceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geforceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geforceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geforceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geforceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geforceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geforceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geforceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geforceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal forceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal forceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal forceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geforceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geforceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geforceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geforceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geforceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geforceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geforceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me forceren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich forceren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je forceren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich forcerend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geforceerd hebben | verleden tijd |
| zijn geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geforceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou forceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou forceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou forceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geforceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geforceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geforceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geforceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geforceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geforceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geforceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geforceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geforceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden forceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden forceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden forceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geforceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geforceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geforceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geforceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geforceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geforceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geforceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geforceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geforceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt forceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geforceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geforceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geforceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen forceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen forceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen forceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen forceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘met geweld openen’ voor het eerst aangetroffen in 1556
Woordfamilie van forceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| forceer | gebiedende wijs | forceren |
| forceerde | verleden tijd | forceren |
| forceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | forceren |
| forceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | forceren |
| forcere | aanvoegende wijs | forceren |
| forcerend | onvoltooid deelwoord | forceren |
| forcerende | woordvorm | forceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van forceren zijn vastgelegd.