foezelen
werkwoordBetekenis
- frauderen
- stiekem vrijen
Vervoeging van foezelen
foezelenhele werkwoord — foezeldeverleden tijd enkelvoud — foezeldenverleden tijd meervoud — gefoezeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | foezel | foezelde |
| jij | foezelt | foezelde |
| hij, zij, het | foezelt | foezelde |
| wij | foezelen | foezelden |
| jullie | foezelen | foezelden |
| zij | foezelen | foezelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| foezel | gebiedende wijs |
| foezelde | verleden tijd |
| foezele | aanvoegende wijs |
| foezelend | onvoltooid, deelwoord |
| gefoezeld | verleden tijd, deelwoord |
| gefoezeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefoezeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefoezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefoezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefoezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefoezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefoezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefoezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefoezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefoezeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te foezelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefoezeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen foezelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefoezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen foezelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult foezelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefoezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van foezel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van foezelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| foezelde | verleden tijd | foezelen |
| foezelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | foezelen |
| foezele | aanvoegende wijs | foezelen |
| foezelend | onvoltooid deelwoord | foezelen |
| foezelende | woordvorm | foezelen |
| foezelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | foezelen |
| gefoezeld | voltooid deelwoord | foezelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van foezelen zijn vastgelegd.