foezel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- slechte jenever
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| foezels | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van foezelen
- gebiedende wijs van foezelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van foezelen
Vervoeging van foezel
foezelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘slechte jenever’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1716
Woordfamilie van foezel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| foezels | meervoud | foezel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van foezel zijn vastgelegd.