fietskamperen
werkwoordBetekenis
- een meerdaagse fietstocht maken waarbij men overnacht in een tent
Vervoeging van fietskamperen
fietskamperenhele werkwoord — fietskampeerdeverleden tijd enkelvoud — fietskampeerdenverleden tijd meervoud — gefietskampeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fietskampeer | fietskampeerde |
| jij | fietskampeert | fietskampeerde |
| hij, zij, het | fietskampeert | fietskampeerde |
| wij | fietskamperen | fietskampeerden |
| jullie | fietskamperen | fietskampeerden |
| zij | fietskamperen | fietskampeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| fietskampeer | gebiedende wijs |
| fietskampeerde | verleden tijd |
| fietskampere | aanvoegende wijs |
| fietskamperend | onvoltooid, deelwoord |
| gefietskampeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefietskampeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefietskampeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefietskampeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefietskampeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefietskampeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefietskampeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefietskampeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefietskampeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefietskampeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefietskampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefietskampeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefietskampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefietskampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefietskampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefietskampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefietskampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefietskampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fietskamperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefietskampeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fietskamperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefietskampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefietskampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefietskampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefietskampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefietskampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefietskampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefietskampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefietskampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefietskampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefietskampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fietskamperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefietskampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefietskampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefietskampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fietskamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefietskampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van fiets en kamperen
Woordfamilie van fietskamperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietskampeer | gebiedende wijs | fietskamperen |
| fietskampeerde | verleden tijd | fietskamperen |
| fietskampeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fietskamperen |
| fietskampeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fietskamperen |
| fietskampere | aanvoegende wijs | fietskamperen |
| fietskamperend | onvoltooid deelwoord | fietskamperen |
| fietskamperende | woordvorm | fietskamperen |
| gefietskampeerd | voltooid deelwoord | fietskamperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietskamperen zijn vastgelegd.