Naar de inhoud

fietscrossen

een fietscross houden

fietscrossen is meer dan één woord

fietscrossen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. een fietscross houden

Vervoeging van fietscrossen

fietscrossenhele werkwoord — fietscrosteverleden tijd enkelvoud — fietscrostenverleden tijd meervoud — gefietscrostvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fietscros fietscroste
jij fietscrost fietscroste
hij, zij, het fietscrost fietscroste
wij fietscrossen fietscrosten
jullie fietscrossen fietscrosten
zij fietscrossen fietscrosten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
fietscros gebiedende wijs
fietscrosse aanvoegende wijs
fietscrossend onvoltooid, deelwoord
fietscroste verleden tijd
gefietscrost verleden tijd, deelwoord
gefietscrost te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefietscrost zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefietscrost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefietscrost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefietscrost voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefietscrost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefietscrost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefietscrost voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefietscrost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefietscrost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefietscrost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefietscrost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefietscrost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefietscrost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefietscrost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefietscrost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefietscrost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te fietscrossen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefietscrost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen fietscrossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefietscrost hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefietscrost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefietscrost hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefietscrost hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefietscrost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefietscrost hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefietscrost hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefietscrost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefietscrost hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefietscrost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen fietscrossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefietscrost hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefietscrost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefietscrost hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult fietscrossen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefietscrost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord fietscross

Herkomst

samenstelling van fiets en crossen

Woordfamilie van fietscrossen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fietscros gebiedende wijs fietscrossen
fietscrosse aanvoegende wijs fietscrossen
fietscrossend onvoltooid deelwoord fietscrossen
fietscrossende woordvorm fietscrossen
fietscrost aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon fietscrossen
fietscroste verleden tijd fietscrossen
fietscrosten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon fietscrossen
gefietscrost voltooid deelwoord fietscrossen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietscrossen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over fietscrossen

Wat betekent fietscrossen?
Fietscrossen is een werkwoord. Het woord betekent: een fietscross houden.
Hoe vervoeg je fietscrossen?
Je vervoegt fietscrossen als volgt: de tegenwoordige tijd is fietscros, de verleden tijd is fietscroste en het voltooid deelwoord is gefietscrost. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord fietscrossen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. I 1
  3. E 1
  4. T 2
  5. S 2
  6. C 5
  7. R 2
  8. O 1
  9. S 2
  10. S 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

fietscrossen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. I 2
  3. E 1
  4. T 2
  5. S 2
  6. C 5
  7. R 2
  8. O 1
  9. S 2
  10. S 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 25 zonder bonus
  14. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

fietscrossen in het kort

fietscrossen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van fietscrossen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort fietscrossen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

fietscrossen: een fietscross houden
Deel fietscrossen — standaardnederlands.nl