fietsdag
zelfstandig naamwoordBetekenis
- dag dat men fietst
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fietsdagen | meervoud |
| fietsdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fietsdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van fiets zn en dag zn
Woordfamilie van fietsdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietsdagen | meervoud | fietsdag |
| fietsdagje | verkleinwoord | fietsdag |
| fietsdagjes | verkleinwoord meervoud | fietsdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietsdag zijn vastgelegd.