Naar de inhoud

fibrilleren

onregelmatig samentrekken (van telkens andere bundels van de hartspier)

fibrilleren

werkwoord

Betekenis

  1. onregelmatig samentrekken (van telkens andere bundels van de hartspier)
  2. een vezelstructuur geven

Vervoeging van fibrilleren

fibrillerenhele werkwoord — fibrilleerdeverleden tijd enkelvoud — fibrilleerdenverleden tijd meervoud — gefibrilleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fibrilleer fibrilleerde
jij fibrilleert fibrilleerde
hij, zij, het fibrilleert fibrilleerde
wij fibrilleren fibrilleerden
jullie fibrilleren fibrilleerden
zij fibrilleren fibrilleerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gefibrilleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gefibrilleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gefibrilleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gefibrilleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gefibrilleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gefibrilleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gefibrilleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gefibrilleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
fibrilleer gebiedende wijs
fibrilleerde verleden tijd
fibrillere aanvoegende wijs
fibrillerend onvoltooid, deelwoord
gefibrilleerd verleden tijd, deelwoord
gefibrilleerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefibrilleerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefibrilleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefibrilleerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefibrilleerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefibrilleerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefibrilleerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefibrilleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefibrilleerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefibrilleerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefibrilleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te fibrilleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefibrilleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen fibrilleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gefibrilleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gefibrilleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gefibrilleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefibrilleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gefibrilleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefibrilleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefibrilleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefibrilleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefibrilleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefibrilleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefibrilleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefibrilleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefibrilleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen fibrilleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefibrilleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefibrilleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefibrilleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult fibrilleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefibrilleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefibrilleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefibrilleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘onregelmatig samentrekken van spieren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1955

Woordfamilie van fibrilleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fibrilleer gebiedende wijs fibrilleren
fibrilleerde verleden tijd fibrilleren
fibrilleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon fibrilleren
fibrilleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon fibrilleren
fibrillere aanvoegende wijs fibrilleren
fibrillerend onvoltooid deelwoord fibrilleren
fibrillerende woordvorm fibrilleren
gefibrilleerd voltooid deelwoord fibrilleren
gefibrilleerde woordvorm fibrilleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fibrilleren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over fibrilleren

Wat is de betekenis van fibrilleren?
Fibrilleren is een werkwoord. De betekenis is: onregelmatig samentrekken (van telkens andere bundels van de hartspier). In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik fibrilleren?
Zo vervoeg je fibrilleren zo: de tegenwoordige tijd is fibrilleer, de verleden tijd is fibrilleerde en het voltooid deelwoord is gefibrilleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord fibrilleren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. I 1
  3. B 3
  4. R 2
  5. I 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

fibrilleren levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. I 2
  3. B 4
  4. R 2
  5. I 2
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 zonder bonus
  13. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

fibrilleren in het kort

fibrilleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van fibrilleren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort fibrilleren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

fibrilleren: onregelmatig samentrekken (van telkens andere bundels van de hartspier)
Deel fibrilleren — standaardnederlands.nl