fase
zelfstandig naamwoord ˈfazəBetekenis
- periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
- een van de schijngestalten van de maan of een andere planeet
- één van de reeks toestanden die een kringproces eindeloos herhaalt
- een verschijningsvorm van een stof met homogene chemische en fysische eigenschappen
- afschuinen (bord)
- geleidelijk instellen.
- geleidelijk aflopen.
- periode
- schijngestalte
- verschijningsvorm
- golfgedeelte
- oscillatie of spanning bij wisselstroom.
- fasedraad
Hoe spreek je fase uit?
/ˈfazə/
Fase bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| a | maan |
| z | zon |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- elk van de reeks toestanden die een kringproces eindeloos herhaalt
- verschijningsvorm van een stof met homogene chemische en fysische eigenschappen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fasen, fases | meervoud |
| fasetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fasetjes | verkleinwoord, meervoud |
| phase |
Herkomst
van Frans phase, in de betekenis van ‘schijngestalte van planeet, stadium’ aangetroffen vanaf 1824
Woordfamilie van fase
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fasen | meervoud | fase |
| fases | meervoud | fase |
| fasetje | verkleinwoord | fase |
| fasetjes | verkleinwoord meervoud | fase |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fase zijn vastgelegd.