faciliteren
werkwoordBetekenis
- technische hulp, voorzieningen aanbieden, beschikbaar stellen, ondersteunen
- vereenvoudigen, mogelijk maken
Vervoeging van faciliteren
faciliterenhele werkwoord — faciliteerdeverleden tijd enkelvoud — faciliteerdenverleden tijd meervoud — gefaciliteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | faciliteer | faciliteerde |
| jij | faciliteert | faciliteerde |
| hij, zij, het | faciliteert | faciliteerde |
| wij | faciliteren | faciliteerden |
| jullie | faciliteren | faciliteerden |
| zij | faciliteren | faciliteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefaciliteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefaciliteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefaciliteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefaciliteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefaciliteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefaciliteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefaciliteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefaciliteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| faciliteer | gebiedende wijs |
| faciliteerde | verleden tijd |
| facilitere | aanvoegende wijs |
| faciliterend | onvoltooid, deelwoord |
| gefaciliteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefaciliteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefaciliteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefaciliteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefaciliteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefaciliteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefaciliteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefaciliteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefaciliteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefaciliteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefaciliteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefaciliteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefaciliteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefaciliteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefaciliteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefaciliteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefaciliteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefaciliteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te faciliteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefaciliteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen faciliteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefaciliteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefaciliteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefaciliteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefaciliteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefaciliteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefaciliteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefaciliteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefaciliteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefaciliteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefaciliteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen faciliteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefaciliteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefaciliteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefaciliteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult faciliteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefaciliteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse faciliter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van faciliteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| faciliteer | gebiedende wijs | faciliteren |
| faciliteerde | verleden tijd | faciliteren |
| faciliteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | faciliteren |
| faciliteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | faciliteren |
| facilitere | aanvoegende wijs | faciliteren |
| faciliterend | onvoltooid deelwoord | faciliteren |
| faciliterende | woordvorm | faciliteren |
| gefaciliteerd | voltooid deelwoord | faciliteren |
| gefaciliteerde | woordvorm | faciliteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van faciliteren zijn vastgelegd.