encadreren
werkwoordBetekenis
- inlijsten
- omsluiten
Vervoeging van encadreren
encadrerenhele werkwoord — encadreerdeverleden tijd enkelvoud — encadreerdenverleden tijd meervoud — geëncadreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | encadreer | encadreerde |
| jij | encadreert | encadreerde |
| hij, zij, het | encadreert | encadreerde |
| wij | encadreren | encadreerden |
| jullie | encadreren | encadreerden |
| zij | encadreren | encadreerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| encadreer | gebiedende wijs |
| encadreerde | verleden tijd |
| encadrere | aanvoegende wijs |
| encadrerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geëncadreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëncadreerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëncadreerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëncadreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëncadreerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëncadreerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëncadreerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëncadreerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëncadreerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëncadreerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëncadreerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëncadreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëncadreerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëncadreerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëncadreerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëncadreerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëncadreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëncadreerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëncadreerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëncadreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te encadreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëncadreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen encadreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëncadreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëncadreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëncadreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëncadreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëncadreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëncadreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëncadreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëncadreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëncadreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëncadreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëncadreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëncadreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëncadreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëncadreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëncadreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëncadreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëncadreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëncadreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëncadreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëncadreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëncadreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëncadreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen encadreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëncadreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëncadreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëncadreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëncadreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëncadreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëncadreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult encadreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëncadreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëncadreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëncadreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inlijsten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Woordfamilie van encadreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| encadreer | gebiedende wijs | encadreren |
| encadreerde | verleden tijd | encadreren |
| encadreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | encadreren |
| encadreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | encadreren |
| encadrere | aanvoegende wijs | encadreren |
| encadrerend | onvoltooid deelwoord | encadreren |
| encadrerende | woordvorm | encadreren |
| geëncadreerd | voltooid deelwoord | encadreren |
| geëncadreerde | woordvorm | encadreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van encadreren zijn vastgelegd.