encanailleren
werkwoordBetekenis
- zich ~: zich inlaten met
Vervoeging van encanailleren
encanaillerenhele werkwoord — geëncanailleerdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| encanailleer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| encanailleer u/je , encanailleert je | gebiedende wijs |
| encanailleerde | verleden tijd |
| encanailleerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| encanailleerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| encanailleerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| encanailleerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| encanailleerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| encanailleerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| encanailleerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| encanailleerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| encanailleerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| encanailleerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| encanailleert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| encanailleert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| encanailleert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| encanailleert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| encanailleert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| encanailleert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| encanaillere zich | aanvoegende wijs |
| encanailleren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| encanailleren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| encanailleren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| geëncanailleerd | verleden tijd, deelwoord |
| zal me encanailleren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich encanailleren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je encanailleren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich encanaillerend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geëncanailleerd hebben | verleden tijd |
| zullen je encanailleren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons encanailleren | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich encanailleren | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u encanailleren | tweede persoon |
| zult u encanailleren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u encanailleren | tweede persoon |
| zult zich/u encanailleren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘(zich...) omgaan met mensen beneden zijn stand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1697
Woordfamilie van encanailleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| encanailleer | woordvorm | encanailleren |
| encanailleerde | verleden tijd | encanailleren |
| encanailleerden | woordvorm | encanailleren |
| encanailleert | woordvorm | encanailleren |
| encanaillere | woordvorm | encanailleren |
| encanaillerend | woordvorm | encanailleren |
| encanaillerende | woordvorm | encanailleren |
| geëncanailleerd | voltooid deelwoord | encanailleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van encanailleren zijn vastgelegd.