emmeren
werkwoordBetekenis
- zeuren, zeiken
werkwoord
- zaniken, zeiken, zeuren informal, unergative
Vervoeging van emmeren
emmerenhele werkwoord — emmerdeverleden tijd enkelvoud — emmerdenverleden tijd meervoud — geëmmerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | emmer | emmerde |
| jij | emmert | emmerde |
| hij, zij, het | emmert | emmerde |
| wij | emmeren | emmerden |
| jullie | emmeren | emmerden |
| zij | emmeren | emmerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| emmer | gebiedende wijs |
| emmerde | verleden tijd |
| emmere | aanvoegende wijs |
| emmerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëmmerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëmmerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëmmerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëmmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëmmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëmmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëmmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëmmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëmmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëmmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëmmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëmmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëmmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëmmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te emmeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëmmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen emmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëmmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëmmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëmmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëmmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëmmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëmmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëmmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëmmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëmmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëmmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen emmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëmmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëmmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëmmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult emmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëmmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zaniken’ voor het eerst aangetroffen in 1914
Woordfamilie van emmeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| emmerde | verleden tijd | emmeren |
| emmerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | emmeren |
| emmere | aanvoegende wijs | emmeren |
| emmerend | onvoltooid deelwoord | emmeren |
| emmerende | woordvorm | emmeren |
| emmert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | emmeren |
| geëmmerd | voltooid deelwoord | emmeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van emmeren zijn vastgelegd.