Naar de inhoud

effenen

gelijk of vlak maken

effenen

werkwoord

Betekenis

  1. gelijk of vlak maken

Vervoeging van effenen

effenenhele werkwoord — effendeverleden tijd enkelvoud — effendenverleden tijd meervoud — geëffendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik effen effende
jij effent effende
hij, zij, het effent effende
wij effenen effenden
jullie effenen effenden
zij effenen effenden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
effen gebiedende wijs
effende verleden tijd
effene aanvoegende wijs
effenend onvoltooid, deelwoord
er is geëffend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geëffend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geëffend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geëffend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geëffend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geëffend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geëffend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geëffend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geëffend verleden tijd, deelwoord
geëffend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëffend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëffend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëffend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëffend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëffend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëffend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëffend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëffend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëffend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geëffend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geëffend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geëffend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geëffend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geëffend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geëffend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geëffend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëffend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te effenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geëffend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen effenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geëffend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëffend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geëffend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëffend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geëffend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geëffend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geëffend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geëffend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geëffend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geëffend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geëffend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geëffend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geëffend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geëffend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geëffend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geëffend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geëffend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geëffend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geëffend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geëffend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal effenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal effenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal effenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geëffend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëffend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geëffend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geëffend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëffend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geëffend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou effenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou effenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou effenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geëffend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëffend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëffend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëffend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëffend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëffend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden effenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden effenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden effenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geëffend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëffend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëffend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëffend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëffend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëffend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt effenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geëffend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëffend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen effenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen effenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen effenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen effenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geëffend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geëffend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geëffend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geëffend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geëffend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geëffend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult effenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geëffend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geëffend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geëffend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordfamilie van effenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
effende verleden tijd effenen
effenden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon effenen
effene aanvoegende wijs effenen
effenend onvoltooid deelwoord effenen
effenende woordvorm effenen
effent aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon effenen
geëffend voltooid deelwoord effenen
geëffende woordvorm effenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van effenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over effenen

Wat betekent effenen?
Effenen is een werkwoord. Het woord betekent: gelijk of vlak maken.
Hoe vervoeg je effenen?
Je vervoegt effenen als volgt: de tegenwoordige tijd is effen, de verleden tijd is effende en het voltooid deelwoord is geëffend. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord effenen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. E 1
  2. F 4
  3. F 4
  4. E 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

effenen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. E 1
  2. F 4
  3. F 4
  4. E 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

effenen telt 7 letters, waarvan 3 verschillende, want 4 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

effenen in het kort

effenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van effenen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort effenen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

effenen: gelijk of vlak maken
Deel effenen — standaardnederlands.nl