Naar de inhoud

duvelen

(informeel) last veroorzaken

duvelen

werkwoord

Betekenis

  1. (informeel) last veroorzaken
  2. (informeel) plotseling vallen

werkwoord

  1. last veroorzaken informal, intransitive
  2. plotseling vallen informal, intransitive

Vervoeging van duvelen

duvelenhele werkwoord — duveldeverleden tijd enkelvoud — duveldenverleden tijd meervoud — geduveldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik duvel duvelde
jij duvelt duvelde
hij, zij, het duvelt duvelde
wij duvelen duvelden
jullie duvelen duvelden
zij duvelen duvelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
duvel gebiedende wijs
duvelde verleden tijd
duvele aanvoegende wijs
duvelend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geduveld verleden tijd, deelwoord
geduveld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geduveld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geduveld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geduveld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geduveld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geduveld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geduveld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geduveld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geduveld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geduveld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geduveld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geduveld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geduveld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geduveld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geduveld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geduveld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geduveld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te duvelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geduveld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen duvelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal duvelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal duvelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal duvelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geduveld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geduveld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geduveld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou duvelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou duvelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou duvelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geduveld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geduveld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geduveld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden duvelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden duvelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden duvelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geduveld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geduveld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geduveld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt duvelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geduveld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen duvelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen duvelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen duvelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen duvelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geduveld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geduveld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geduveld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult duvelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geduveld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van duvel met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van duvelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
duvelde verleden tijd duvelen
duvelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon duvelen
duvele aanvoegende wijs duvelen
duvelend onvoltooid deelwoord duvelen
duvelende woordvorm duvelen
duvelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon duvelen
geduveld voltooid deelwoord duvelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duvelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over duvelen

Wat is de betekenis van duvelen?
Duvelen is een werkwoord. De betekenis is: (informeel) last veroorzaken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik duvelen?
Zo vervoeg je duvelen zo: de tegenwoordige tijd is duvel, de verleden tijd is duvelde en het voltooid deelwoord is geduveld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord duvelen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. U 4
  3. V 4
  4. E 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

duvelen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 106 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. U 2
  3. V 4
  4. E 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 106 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

duvelen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

duvelen in het kort

duvelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van duvelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort duvelen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

duvelen: (informeel) last veroorzaken
Deel duvelen — standaardnederlands.nl