duvelen
werkwoordBetekenis
- (informeel) last veroorzaken
- (informeel) plotseling vallen
werkwoord
- last veroorzaken informal, intransitive
- plotseling vallen informal, intransitive
Vervoeging van duvelen
duvelenhele werkwoord — duveldeverleden tijd enkelvoud — duveldenverleden tijd meervoud — geduveldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | duvel | duvelde |
| jij | duvelt | duvelde |
| hij, zij, het | duvelt | duvelde |
| wij | duvelen | duvelden |
| jullie | duvelen | duvelden |
| zij | duvelen | duvelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| duvel | gebiedende wijs |
| duvelde | verleden tijd |
| duvele | aanvoegende wijs |
| duvelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geduveld | verleden tijd, deelwoord |
| geduveld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geduveld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geduveld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geduveld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geduveld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geduveld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geduveld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geduveld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geduveld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geduveld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geduveld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geduveld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geduveld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geduveld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geduveld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geduveld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geduveld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te duvelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geduveld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen duvelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geduveld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geduveld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geduveld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geduveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geduveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geduveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geduveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geduveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geduveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geduveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen duvelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geduveld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geduveld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geduveld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult duvelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geduveld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van duvel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van duvelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| duvelde | verleden tijd | duvelen |
| duvelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | duvelen |
| duvele | aanvoegende wijs | duvelen |
| duvelend | onvoltooid deelwoord | duvelen |
| duvelende | woordvorm | duvelen |
| duvelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | duvelen |
| geduveld | voltooid deelwoord | duvelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duvelen zijn vastgelegd.