Naar de inhoud

dupliceren

op een repliek antwoorden, van dupliek dienen

dupliceren

werkwoord

Betekenis

  1. op een repliek antwoorden, van dupliek dienen
  2. kopiëren, verdubbelen

Vervoeging van dupliceren

duplicerenhele werkwoord — dupliceerdeverleden tijd enkelvoud — dupliceerdenverleden tijd meervoud — gedupliceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik dupliceer dupliceerde
jij dupliceert dupliceerde
hij, zij, het dupliceert dupliceerde
wij dupliceren dupliceerden
jullie dupliceren dupliceerden
zij dupliceren dupliceerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dupliceer gebiedende wijs
dupliceerde verleden tijd
duplicere aanvoegende wijs
duplicerend onvoltooid, deelwoord
er is gedupliceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedupliceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedupliceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedupliceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedupliceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedupliceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedupliceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedupliceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedupliceerd verleden tijd, deelwoord
gedupliceerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedupliceerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedupliceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedupliceerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedupliceerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedupliceerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedupliceerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedupliceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedupliceerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedupliceerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedupliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedupliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedupliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedupliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedupliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedupliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedupliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedupliceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te dupliceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedupliceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dupliceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedupliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedupliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedupliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedupliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedupliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedupliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedupliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedupliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedupliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedupliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedupliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedupliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedupliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedupliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedupliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedupliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedupliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedupliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedupliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedupliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedupliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedupliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedupliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedupliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedupliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedupliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedupliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedupliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen dupliceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedupliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedupliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedupliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedupliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedupliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedupliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult dupliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedupliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedupliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedupliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse dupliquer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van dupliceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dupliceer gebiedende wijs dupliceren
dupliceerde verleden tijd dupliceren
dupliceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dupliceren
dupliceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dupliceren
duplicere aanvoegende wijs dupliceren
duplicerend onvoltooid deelwoord dupliceren
duplicerende woordvorm dupliceren
gedupliceerd voltooid deelwoord dupliceren
gedupliceerde woordvorm dupliceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dupliceren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over dupliceren

Wat is de betekenis van dupliceren?
Dupliceren is een werkwoord. De betekenis is: op een repliek antwoorden, van dupliek dienen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik dupliceren?
Zo vervoeg je dupliceren zo: de tegenwoordige tijd is dupliceer, de verleden tijd is dupliceerde en het voltooid deelwoord is gedupliceerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dupliceren is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. U 4
  3. P 3
  4. L 3
  5. I 1
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dupliceren levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. U 2
  3. P 4
  4. L 3
  5. I 2
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dupliceren in het kort

dupliceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van dupliceren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort dupliceren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

dupliceren: op een repliek antwoorden, van dupliek dienen
Deel dupliceren — standaardnederlands.nl