dupliceren
werkwoordBetekenis
- op een repliek antwoorden, van dupliek dienen
- kopiëren, verdubbelen
Vervoeging van dupliceren
duplicerenhele werkwoord — dupliceerdeverleden tijd enkelvoud — dupliceerdenverleden tijd meervoud — gedupliceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dupliceer | dupliceerde |
| jij | dupliceert | dupliceerde |
| hij, zij, het | dupliceert | dupliceerde |
| wij | dupliceren | dupliceerden |
| jullie | dupliceren | dupliceerden |
| zij | dupliceren | dupliceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dupliceer | gebiedende wijs |
| dupliceerde | verleden tijd |
| duplicere | aanvoegende wijs |
| duplicerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedupliceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedupliceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedupliceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedupliceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedupliceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedupliceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedupliceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedupliceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedupliceerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedupliceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedupliceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedupliceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedupliceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedupliceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedupliceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedupliceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedupliceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedupliceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedupliceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedupliceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dupliceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedupliceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dupliceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedupliceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedupliceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedupliceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedupliceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedupliceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedupliceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedupliceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedupliceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedupliceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedupliceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedupliceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedupliceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedupliceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedupliceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedupliceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedupliceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedupliceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedupliceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedupliceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedupliceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedupliceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedupliceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dupliceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedupliceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedupliceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedupliceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedupliceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedupliceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedupliceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dupliceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedupliceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedupliceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedupliceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse dupliquer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van dupliceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dupliceer | gebiedende wijs | dupliceren |
| dupliceerde | verleden tijd | dupliceren |
| dupliceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dupliceren |
| dupliceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dupliceren |
| duplicere | aanvoegende wijs | dupliceren |
| duplicerend | onvoltooid deelwoord | dupliceren |
| duplicerende | woordvorm | dupliceren |
| gedupliceerd | voltooid deelwoord | dupliceren |
| gedupliceerde | woordvorm | dupliceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dupliceren zijn vastgelegd.