Naar de inhoud

duchten

vrezen, bang zijn voor

duchten

werkwoord

Betekenis

  1. vrezen, bang zijn voor

Vervoeging van duchten

duchtenhele werkwoord — duchtteverleden tijd enkelvoud — duchttenverleden tijd meervoud — geduchtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ducht duchtte
jij ducht duchtte
hij, zij, het ducht duchtte
wij duchten duchtten
jullie duchten duchtten
zij duchten duchtten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geducht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geducht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ducht gebiedende wijs
duchte aanvoegende wijs
duchtend onvoltooid, deelwoord
duchtte verleden tijd
er is geducht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geducht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geducht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geducht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geducht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geducht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geducht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geducht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geducht verleden tijd, deelwoord
geducht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geducht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geducht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geducht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geducht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geducht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geducht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geducht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geducht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geducht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geducht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geducht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geducht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geducht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geducht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geducht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geducht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geducht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geducht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geducht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geducht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geducht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geducht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geducht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geducht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geducht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geducht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te duchten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geducht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen duchten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geducht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geducht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geducht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geducht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geducht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geducht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geducht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geducht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geducht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geducht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geducht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geducht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geducht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geducht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geducht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geducht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geducht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geducht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geducht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geducht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal duchten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal duchten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal duchten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geducht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geducht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geducht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geducht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geducht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geducht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geducht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geducht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geducht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geducht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geducht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou duchten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou duchten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou duchten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geducht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geducht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geducht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geducht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geducht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geducht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geducht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geducht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geducht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden duchten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden duchten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden duchten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geducht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geducht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geducht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geducht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geducht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geducht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geducht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geducht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geducht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt duchten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geducht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geducht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geducht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen duchten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen duchten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen duchten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen duchten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geducht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geducht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geducht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geducht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geducht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geducht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geducht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geducht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geducht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult duchten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geducht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geducht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geducht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘vrezen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Woordfamilie van duchten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ducht gebiedende wijs duchten
duchte aanvoegende wijs duchten
duchtend onvoltooid deelwoord duchten
duchtende woordvorm duchten
duchtte verleden tijd duchten
duchtten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon duchten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duchten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over duchten

Wat is de betekenis van duchten?
Duchten is een werkwoord. De betekenis is: vrezen, bang zijn voor.
Hoe vervoeg ik duchten?
Zo vervoeg je duchten zo: de tegenwoordige tijd is ducht, de verleden tijd is duchtte en het voltooid deelwoord is geducht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord duchten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. U 4
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

duchten levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 121 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. U 2
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 17 zonder bonus
  9. 121 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

duchten telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

duchten in het kort

duchten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van duchten staan er 74 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort duchten bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

duchten: vrezen, bang zijn voor
Deel duchten — standaardnederlands.nl