druppel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /drɵ.pəl/Betekenis
- kleine hoeveelheid vloeistof die niet in contact is met een andere vloeistof
Hoe spreek je druppel uit?
/drɵpəl/
Druppel bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| ɵ | put |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een kleine hoeveelheid vloeistof die niet in contact is met een andere vloeistof
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| druppels | meervoud |
| druppeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| druppeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van druppelen
- gebiedende wijs van druppelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van druppelen
Vervoeging van druppel
druppelhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands druppel / dropel, in de betekenis van ‘vochtdeeltje’ voor het eerst aangetroffen in 1240; op te vatten als afgeleid van drup met het achtervoegsel -el met verdubbeling van de p volgens spellingregel 2.B
Woordfamilie van druppel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| druppels | meervoud | druppel |
| druppeltje | verkleinwoord | druppel |
| druppeltjes | verkleinwoord meervoud | druppel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van druppel zijn vastgelegd.