druil
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- de achterste mast op een loggergetuigd schip
- het zeil aan de achterste mast op een loggergetuigd schip
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| druilen | meervoud |
| druiltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| druiltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van druilen
- gebiedende wijs van druilen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van druilen
Vervoeging van druil
druilhele werkwoord
Woordfamilie van druil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| druiltje | verkleinwoord | druil |
| druiltjes | verkleinwoord meervoud | druil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van druil zijn vastgelegd.