logger
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
- iemand die iets logt of iets waarmee men kan loggen (registreren)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| loggers | meervoud |
| loggertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| loggertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van log
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vaartuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1796
Woordfamilie van logger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| loggertje | verkleinwoord | logger |
| loggertjes | verkleinwoord meervoud | logger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van logger zijn vastgelegd.