douchen
werkwoord ˈduʃə(n)Betekenis
- een douche nemen
Hoe spreek je douchen uit?
/ˈduʃən/
Douchen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| u | boek |
| ʃ | sjaal |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van douchen
douchenhele werkwoord — douchteverleden tijd enkelvoud — douchtenverleden tijd meervoud — gedouchtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | douch | douchte |
| jij | doucht | douchte |
| hij, zij, het | doucht | douchte |
| wij | douchen | douchten |
| jullie | douchen | douchten |
| zij | douchen | douchten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| douch | gebiedende wijs |
| douche | aanvoegende wijs |
| douchend | onvoltooid, deelwoord |
| douchte | verleden tijd |
| er is gedoucht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedoucht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedoucht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedoucht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedoucht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedoucht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedoucht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedoucht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedoucht | verleden tijd, deelwoord |
| gedoucht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedoucht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedoucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedoucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedoucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedoucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedoucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedoucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedoucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedoucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoucht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedoucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedoucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedoucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te douchen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedoucht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen douchen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal douchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal douchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal douchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedoucht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedoucht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedoucht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou douchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou douchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou douchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedoucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedoucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedoucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden douchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden douchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden douchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedoucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedoucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedoucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt douchen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedoucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen douchen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen douchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen douchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen douchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedoucht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedoucht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedoucht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult douchen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedoucht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Van het Franse se doucher
Woordfamilie van douchen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| douch | gebiedende wijs | douchen |
| douchend | onvoltooid deelwoord | douchen |
| douchende | woordvorm | douchen |
| doucht | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | douchen |
| douchte | verleden tijd | douchen |
| douchten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | douchen |
| gedoucht | voltooid deelwoord | douchen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van douchen zijn vastgelegd.