Naar de inhoud

doorvaren

verder gaan met varen

doorvaren

werkwoord

Betekenis

  1. verder gaan met varen
  2. zich (varende) bewegen door

Vervoeging van doorvaren

doorvarenhele werkwoord — doorvoerverleden tijd enkelvoud — doorvoerenverleden tijd meervoud — doorgevarenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doorvaar doorvoer
jij doorvaart doorvoer
hij, zij, het doorvaart doorvoer
wij varen door doorvoeren
jullie varen door doorvoeren
zij varen door doorvoeren
Alle 196 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
door te varen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
door te zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
door zal varen bijzin, toekomende tijd
door zou varen bijzin, voorwaardelijk
door zouden varen bijzin, voorwaardelijk
door zoudt varen bijzin, voorwaardelijk
door zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
door zullen varen bijzin, toekomende tijd
door zult varen bijzin, toekomende tijd
doorgevaren verleden tijd, deelwoord
doorgevaren te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgevaren zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvaar gebiedende wijs
doorvaar bijzin, tegenwoordige tijd
doorvaart bijzin, tegenwoordige tijd
doorvare aanvoegende wijs
doorvaren te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorvaren te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorvaren te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorvaren te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorvaren te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorvaren worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorvaren zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorvaren zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvaren zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvaren zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvarend onvoltooid, deelwoord
doorvoer bijzin, verleden tijd
doorvoeren bijzin, verleden tijd
er is doorvaren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was doorvaren impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd doorvaren impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt doorvaren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal doorvaren worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal doorvaren zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou doorvaren worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou doorvaren zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorvaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te doorvaren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben doorvaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn doorgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doorvaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vaar door gebiedende wijs
vaarde door verleden tijd
voer door verleden tijd
waart doorgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal doorgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorvaren bijzin, toekomende tijd
zal doorvaren hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorvaren hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorvaren hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal doorvaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorvaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn doorgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou doorgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorvaren bijzin, voorwaardelijk
zou doorvaren hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorvaren hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorvaren hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorvaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorvaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon

Vervoeging van doorvaren

doorvarenhele werkwoord — doorvoerverleden tijd enkelvoud — doorvoerenverleden tijd meervoud — doorgevarenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doorvaar doorvoer
jij doorvaart doorvoer
hij, zij, het doorvaart doorvoer
wij varen door doorvoeren
jullie varen door doorvoeren
zij varen door doorvoeren
Alle 196 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
door te varen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
door te zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
door zal varen bijzin, toekomende tijd
door zou varen bijzin, voorwaardelijk
door zouden varen bijzin, voorwaardelijk
door zoudt varen bijzin, voorwaardelijk
door zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
door zullen varen bijzin, toekomende tijd
door zult varen bijzin, toekomende tijd
doorgevaren verleden tijd, deelwoord
doorgevaren te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgevaren zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvaar gebiedende wijs
doorvaar bijzin, tegenwoordige tijd
doorvaart bijzin, tegenwoordige tijd
doorvare aanvoegende wijs
doorvaren verleden tijd, deelwoord
doorvaren te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorvaren te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorvaren te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorvaren te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorvaren te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorvaren worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorvaren zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorvaren zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvaren zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvaren zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvarend onvoltooid, deelwoord
doorvoer verleden tijd
doorvoer bijzin, verleden tijd
doorvoeren bijzin, verleden tijd
er is doorvaren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was doorvaren impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd doorvaren impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt doorvaren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal doorvaren worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal doorvaren zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou doorvaren worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou doorvaren zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorvaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te doorvaren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben doorvaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn doorgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doorvaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vaar door gebiedende wijs
waart doorgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal doorgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorvaren bijzin, toekomende tijd
zal doorvaren hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorvaren hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorvaren hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal doorvaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorvaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn doorgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou doorgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorvaren bijzin, voorwaardelijk
zou doorvaren hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorvaren hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorvaren hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorvaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorvaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van doorvaren

Vervoeging van doorvaren

doorvarenhele werkwoord — doorvoerverleden tijd enkelvoud — doorvoerenverleden tijd meervoud — doorgevarenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doorvaar doorvoer
jij doorvaart doorvoer
hij, zij, het doorvaart doorvoer
wij varen door doorvoeren
jullie varen door doorvoeren
zij varen door doorvoeren
Alle 196 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
door te varen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
door te zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
door zal varen bijzin, toekomende tijd
door zou varen bijzin, voorwaardelijk
door zouden varen bijzin, voorwaardelijk
door zoudt varen bijzin, voorwaardelijk
door zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
door zullen varen bijzin, toekomende tijd
door zult varen bijzin, toekomende tijd
doorgevaren verleden tijd, deelwoord
doorgevaren te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgevaren zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvaar gebiedende wijs
doorvaar bijzin, tegenwoordige tijd
doorvaart bijzin, tegenwoordige tijd
doorvare aanvoegende wijs
doorvaren verleden tijd, deelwoord
doorvaren te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorvaren te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorvaren te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorvaren te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorvaren te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorvaren worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorvaren zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorvaren zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvaren zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvaren zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorvarend onvoltooid, deelwoord
doorvoer verleden tijd
doorvoer bijzin, verleden tijd
doorvoeren bijzin, verleden tijd
er is doorvaren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was doorvaren impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd doorvaren impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt doorvaren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal doorvaren worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal doorvaren zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou doorvaren worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou doorvaren zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorvaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te doorvaren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben doorvaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn doorgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doorvaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vaar door gebiedende wijs
waart doorgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorvaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorvaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorvaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt doorvaren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt doorvaren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal doorgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorvaren bijzin, toekomende tijd
zal doorvaren hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorvaren hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorvaren hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal doorvaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorvaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn doorgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt doorgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt doorvaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou doorgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorvaren bijzin, voorwaardelijk
zou doorvaren hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorvaren hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorvaren hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou doorvaren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorvaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorvaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van door bw en varen ww

Woordfamilie van doorvaren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
doorgevaren voltooid deelwoord doorvaren
doorvaar subordinate-clause, tegenwoordige tijd doorvaren
doorvaarde with-subordinate-clause doorvaren
doorvaarden with-subordinate-clause doorvaren
doorvare aanvoegende wijs doorvaren
doorvarend onvoltooid deelwoord doorvaren
doorvarende woordvorm doorvaren
vaar door gebiedende wijs doorvaren
vaarde door verleden tijd doorvaren
vaarden door woordvorm doorvaren
vaart door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon doorvaren
vare door woordvorm doorvaren
varen door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon doorvaren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorvaren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over doorvaren

Wat betekent doorvaren?
Doorvaren is een werkwoord. Het woord betekent: verder gaan met varen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je doorvaren?
Je vervoegt doorvaren als volgt: de tegenwoordige tijd is doorvaar, de verleden tijd is doorvoer en het voltooid deelwoord is doorgevaren. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord doorvaren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. V 4
  6. A 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

doorvaren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. V 4
  6. A 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

doorvaren in het kort

doorvaren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van doorvaren zijn 108 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort doorvaren bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

doorvaren: verder gaan met varen
Deel doorvaren — standaardnederlands.nl