doorvaren
werkwoordBetekenis
- verder gaan met varen
- zich (varende) bewegen door
Vervoeging van doorvaren
doorvarenhele werkwoord — doorvoerverleden tijd enkelvoud — doorvoerenverleden tijd meervoud — doorgevarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doorvaar | doorvoer |
| jij | doorvaart | doorvoer |
| hij, zij, het | doorvaart | doorvoer |
| wij | varen door | doorvoeren |
| jullie | varen door | doorvoeren |
| zij | varen door | doorvoeren |
Alle 196 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te varen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal varen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou varen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden varen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt varen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen varen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult varen | bijzin, toekomende tijd |
| doorgevaren | verleden tijd, deelwoord |
| doorgevaren te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgevaren zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvaar | gebiedende wijs |
| doorvaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorvaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorvare | aanvoegende wijs |
| doorvaren te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorvaren te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorvaren te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorvaren te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorvaren te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorvaren worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorvaren zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorvaren zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvaren zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvaren zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvarend | onvoltooid, deelwoord |
| doorvoer | bijzin, verleden tijd |
| doorvoeren | bijzin, verleden tijd |
| er is doorvaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorvaren | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorvaren | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorvaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorvaren worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorvaren zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorvaren worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorvaren zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorvaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doorvaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben doorvaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn doorgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaar door | gebiedende wijs |
| vaarde door | verleden tijd |
| voer door | verleden tijd |
| waart doorgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doorgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorvaren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorvaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorvaren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorvaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorvaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn doorgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijt doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou doorvaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorvaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorvaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorvaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorvaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
Vervoeging van doorvaren
doorvarenhele werkwoord — doorvoerverleden tijd enkelvoud — doorvoerenverleden tijd meervoud — doorgevarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doorvaar | doorvoer |
| jij | doorvaart | doorvoer |
| hij, zij, het | doorvaart | doorvoer |
| wij | varen door | doorvoeren |
| jullie | varen door | doorvoeren |
| zij | varen door | doorvoeren |
Alle 196 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te varen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal varen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou varen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden varen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt varen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen varen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult varen | bijzin, toekomende tijd |
| doorgevaren | verleden tijd, deelwoord |
| doorgevaren te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgevaren zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvaar | gebiedende wijs |
| doorvaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorvaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorvare | aanvoegende wijs |
| doorvaren | verleden tijd, deelwoord |
| doorvaren te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorvaren te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorvaren te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorvaren te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorvaren te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorvaren worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorvaren zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorvaren zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvaren zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvaren zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvarend | onvoltooid, deelwoord |
| doorvoer | verleden tijd |
| doorvoer | bijzin, verleden tijd |
| doorvoeren | bijzin, verleden tijd |
| er is doorvaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorvaren | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorvaren | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorvaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorvaren worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorvaren zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorvaren worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorvaren zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorvaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doorvaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben doorvaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn doorgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaar door | gebiedende wijs |
| waart doorgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doorgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorvaren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorvaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorvaren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorvaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorvaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn doorgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijt doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou doorvaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorvaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorvaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorvaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorvaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van doorvaren
Vervoeging van doorvaren
doorvarenhele werkwoord — doorvoerverleden tijd enkelvoud — doorvoerenverleden tijd meervoud — doorgevarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doorvaar | doorvoer |
| jij | doorvaart | doorvoer |
| hij, zij, het | doorvaart | doorvoer |
| wij | varen door | doorvoeren |
| jullie | varen door | doorvoeren |
| zij | varen door | doorvoeren |
Alle 196 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te varen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal varen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou varen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden varen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt varen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen varen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult varen | bijzin, toekomende tijd |
| doorgevaren | verleden tijd, deelwoord |
| doorgevaren te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgevaren zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvaar | gebiedende wijs |
| doorvaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorvaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorvare | aanvoegende wijs |
| doorvaren | verleden tijd, deelwoord |
| doorvaren te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorvaren te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorvaren te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorvaren te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorvaren te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorvaren worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorvaren zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorvaren zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvaren zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvaren zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorvarend | onvoltooid, deelwoord |
| doorvoer | verleden tijd |
| doorvoer | bijzin, verleden tijd |
| doorvoeren | bijzin, verleden tijd |
| er is doorvaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorvaren | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorvaren | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorvaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorvaren worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorvaren zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorvaren worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorvaren zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorvaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doorvaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben doorvaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn doorgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaar door | gebiedende wijs |
| waart doorgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorvaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorvaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorvaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorvaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doorgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorvaren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorvaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorvaren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorvaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorvaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn doorgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijt doorvaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou doorvaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorvaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorvaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorvaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorvaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorvaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van door bw en varen ww
Woordfamilie van doorvaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgevaren | voltooid deelwoord | doorvaren |
| doorvaar | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorvaren |
| doorvaarde | with-subordinate-clause | doorvaren |
| doorvaarden | with-subordinate-clause | doorvaren |
| doorvare | aanvoegende wijs | doorvaren |
| doorvarend | onvoltooid deelwoord | doorvaren |
| doorvarende | woordvorm | doorvaren |
| vaar door | gebiedende wijs | doorvaren |
| vaarde door | verleden tijd | doorvaren |
| vaarden door | woordvorm | doorvaren |
| vaart door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorvaren |
| vare door | woordvorm | doorvaren |
| varen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorvaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorvaren zijn vastgelegd.