doortrappen
werkwoordBetekenis
- niet stoppen met trappen
Vervoeging van doortrappen
doortrappenhele werkwoord — trapte doorverleden tijd enkelvoud — trapten doorverleden tijd meervoud — doorgetraptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trap door | trapte door |
| jij | trapt door | trapte door |
| hij, zij, het | trapt door | trapte door |
| wij | trappen door | trapten door |
| jullie | trappen door | trapten door |
| zij | trappen door | trapten door |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| door te trappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal trappen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen trappen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult trappen | bijzin, toekomende tijd |
| doorgetrapt | verleden tijd, deelwoord |
| doorgetrapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgetrapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doortrap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doortrappend | onvoltooid, deelwoord |
| doortrapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doortrapte | bijzin, verleden tijd |
| doortrapten | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorgetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben doorgetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doortrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trap door | gebiedende wijs |
| trapte door | verleden tijd |
| zal doorgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doortrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zou doorgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doortrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doortrappen door zou(dt) trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doortrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doortrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doortrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doortrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doortrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doortrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal doortrappen door zult/zal trappen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door en trappen
Woordfamilie van doortrappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgetrapt | voltooid deelwoord | doortrappen |
| doorgetrapte | woordvorm | doortrappen |
| doortrap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doortrappen |
| doortrappe | with-subordinate-clause | doortrappen |
| doortrappend | onvoltooid deelwoord | doortrappen |
| doortrappende | woordvorm | doortrappen |
| doortrapten | subordinate-clause, verleden tijd | doortrappen |
| trap door | gebiedende wijs | doortrappen |
| trappe door | woordvorm | doortrappen |
| trappen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doortrappen |
| trapt door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doortrappen |
| trapte door | verleden tijd | doortrappen |
| trapten door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doortrappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doortrappen zijn vastgelegd.