doorspreken
werkwoordBetekenis
- doorgaan met spreken
- grondig bespreken
Vervoeging van doorspreken
doorsprekenhele werkwoord — sprak doorverleden tijd enkelvoud — spraken doorverleden tijd meervoud — doorgesprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreek door | sprak door |
| jij | spreekt door | spraakt door |
| hij, zij, het | spreekt door | sprak door |
| wij | spreken door | spraken door |
| jullie | spreken door | spraken door |
| zij | spreken door | spraken door |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te spreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
| door zou spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen spreken | bijzin, toekomende tijd |
| door zult spreken | bijzin, toekomende tijd |
| doorgesproken | verleden tijd, deelwoord |
| doorgesproken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgesproken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgesproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgesproken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgesproken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgesproken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgesproken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgesproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgesproken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgesproken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorspraakt | bijzin, verleden tijd |
| doorsprak | bijzin, verleden tijd |
| doorspraken | bijzin, verleden tijd |
| doorspreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorspreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorsprekend | onvoltooid, deelwoord |
| er is doorgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorgesproken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgesproken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorgesproken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgesproken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprak door | verleden tijd |
| spreek door | gebiedende wijs |
| te hebben doorgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doorgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doorspreken door zou(dt) spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorspreken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door en spreken
Woordfamilie van doorspreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgesproken | voltooid deelwoord | doorspreken |
| doorsprak | subordinate-clause, verleden tijd | doorspreken |
| doorspraken | subordinate-clause, verleden tijd | doorspreken |
| doorspreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorspreken |
| doorspreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorspreken |
| doorspreke | with-subordinate-clause | doorspreken |
| doorsprekend | onvoltooid deelwoord | doorspreken |
| doorsprekende | woordvorm | doorspreken |
| spraakt door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorspreken |
| sprak door | verleden tijd | doorspreken |
| spraken door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorspreken |
| spreek door | gebiedende wijs | doorspreken |
| spreekt door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorspreken |
| spreke door | woordvorm | doorspreken |
| spreken door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorspreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorspreken zijn vastgelegd.