doorreizen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈdorɛizə(n)Betekenis
- doorgaan met reizen
- een reis maken door (een gebied)
Hoe spreek je doorreizen uit?
/ˈdorɛizən/
Doorreizen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- doorgaan met reizen, de reis voortzetten ergative
Vervoeging van doorreizen
doorreizenhele werkwoord — doorreisdeverleden tijd enkelvoud — doorreisdenverleden tijd meervoud — doorgereisdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doorreis | doorreisde |
| jij | doorreist | doorreisde |
| hij, zij, het | doorreist | doorreisde |
| wij | reizen door | doorreisden |
| jullie | reizen door | doorreisden |
| zij | reizen door | doorreisden |
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| [A] dóórreizen | canonical |
| ben doorgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te reizen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen reizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal reizen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen reizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen reizen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult reizen | bijzin, toekomende tijd |
| doorgereisd | verleden tijd, deelwoord |
| doorgereisd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgereisd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorreis | gebiedende wijs |
| doorreis | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorreisd | verleden tijd, deelwoord |
| doorreisd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorreisd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorreisd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorreisd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorreisd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorreisd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorreisd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorreisd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorreisd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorreisd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorreisde | bijzin, verleden tijd |
| doorreisden | bijzin, verleden tijd |
| doorreist | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorreize | aanvoegende wijs |
| doorreizend | onvoltooid, deelwoord |
| er is doorreisd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorreisd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorreisd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorreisd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorreisd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorreisd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorreisd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorreisd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorreisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorreisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorreisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorreisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorreisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorreisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorreisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorreisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorreisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorreisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorreisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorreisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorreisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorreisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorreisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorreisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reis door | gebiedende wijs |
| reisde door | verleden tijd |
| te doorreizen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben doorreisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn doorgereisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorreizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgereisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgereisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgereisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgereisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren doorreisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgereisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgereisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgereisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorreisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorreisd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden doorreisd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden doorreisd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorreisd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorreisd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorreisd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorreisd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorreisd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorreisd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorreizen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doorgereisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn doorreisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorreisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorreisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorreisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorreisd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorreisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorreizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doorreizen door zou(dt) reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorreisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorreisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorreisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorreisd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorreisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorreizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorreisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorreizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord doorreis
Vervoeging van doorreizen
doorreizenhele werkwoord — doorreisdvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] doorréízen | canonical |
| doorreisd | verleden tijd, deelwoord |
| doorreisde | verleden tijd |
Woordfamilie van doorreizen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgereisd | voltooid deelwoord | doorreizen |
| doorgereisde | woordvorm | doorreizen |
| doorreisd | voltooid deelwoord | doorreizen |
| doorreisde | subordinate-clause, verleden tijd | doorreizen |
| doorreisden | subordinate-clause, verleden tijd | doorreizen |
| doorreist | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorreizen |
| doorreize | aanvoegende wijs | doorreizen |
| doorreizend | onvoltooid deelwoord | doorreizen |
| doorreizende | woordvorm | doorreizen |
| reis door | gebiedende wijs | doorreizen |
| reisde door | verleden tijd | doorreizen |
| reisden door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorreizen |
| reist door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorreizen |
| reize door | woordvorm | doorreizen |
| reizen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorreizen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorreizen zijn vastgelegd.