Naar de inhoud

doorreizen

doorgaan met reizen

doorreizen is meer dan één woord

doorreizen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈdorɛizə(n)

Betekenis

  1. doorgaan met reizen
  2. een reis maken door (een gebied)

Hoe spreek je doorreizen uit?

/ˈdorɛizən/

Doorreizen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈdorɛizən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
o boot
r rood
ɛi trein
z zon
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. doorgaan met reizen, de reis voortzetten ergative

Vervoeging van doorreizen

doorreizenhele werkwoord — doorreisdeverleden tijd enkelvoud — doorreisdenverleden tijd meervoud — doorgereisdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doorreis doorreisde
jij doorreist doorreisde
hij, zij, het doorreist doorreisde
wij reizen door doorreisden
jullie reizen door doorreisden
zij reizen door doorreisden
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
[A] dóórreizen canonical
ben doorgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent doorgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
door te reizen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
door te zullen reizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
door zal reizen bijzin, toekomende tijd
door zou reizen bijzin, voorwaardelijk
door zouden reizen bijzin, voorwaardelijk
door zoudt reizen bijzin, voorwaardelijk
door zullen reizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
door zullen reizen bijzin, toekomende tijd
door zult reizen bijzin, toekomende tijd
doorgereisd verleden tijd, deelwoord
doorgereisd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgereisd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorreis gebiedende wijs
doorreis bijzin, tegenwoordige tijd
doorreisd verleden tijd, deelwoord
doorreisd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorreisd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
doorreisd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorreisd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorreisd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorreisd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorreisd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
doorreisd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorreisd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorreisd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doorreisde bijzin, verleden tijd
doorreisden bijzin, verleden tijd
doorreist bijzin, tegenwoordige tijd
doorreize aanvoegende wijs
doorreizend onvoltooid, deelwoord
er is doorreisd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was doorreisd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd doorreisd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt doorreisd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal doorreisd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal doorreisd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou doorreisd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou doorreisd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had doorreisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had doorreisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had doorreisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden doorreisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden doorreisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden doorreisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt doorreisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb doorreisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorreisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben doorreisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorreisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben doorreisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt doorreisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorreisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorreisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doorgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is doorreisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reis door gebiedende wijs
reisde door verleden tijd
te doorreizen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben doorreisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn doorgereisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doorreizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart doorgereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgereisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doorgereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doorgereisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren doorreisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorgereisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doorgereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doorgereisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doorreisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd doorreisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden doorreisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden doorreisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt doorreisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal doorgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorreisd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorreisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorreisd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorreisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal doorreisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorreizen bijzin, toekomende tijd
zijn doorgereisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn doorgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doorgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doorgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn doorreisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt doorgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou doorgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorreisd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorreisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorreisd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorreisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou doorreisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorreizen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) doorreizen door zou(dt) reizen bijzin, voorwaardelijk
zouden doorgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden doorgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden doorgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorreisd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden doorreisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden doorreisd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorreisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorreisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden doorreizen bijzin, voorwaardelijk
zoudt doorgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt doorreisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt doorreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt doorreizen bijzin, voorwaardelijk
zullen doorgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen doorgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen doorgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord doorreis

Vervoeging van doorreizen

doorreizenhele werkwoord — doorreisdvoltooid deelwoord

Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[B] doorréízen canonical
doorreisd verleden tijd, deelwoord
doorreisde verleden tijd

Woordfamilie van doorreizen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
doorgereisd voltooid deelwoord doorreizen
doorgereisde woordvorm doorreizen
doorreisd voltooid deelwoord doorreizen
doorreisde subordinate-clause, verleden tijd doorreizen
doorreisden subordinate-clause, verleden tijd doorreizen
doorreist subordinate-clause, tegenwoordige tijd doorreizen
doorreize aanvoegende wijs doorreizen
doorreizend onvoltooid deelwoord doorreizen
doorreizende woordvorm doorreizen
reis door gebiedende wijs doorreizen
reisde door verleden tijd doorreizen
reisden door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon doorreizen
reist door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon doorreizen
reize door woordvorm doorreizen
reizen door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon doorreizen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorreizen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over doorreizen

Hoe spreek je doorreizen uit?
De uitspraak van doorreizen is: /ˈdorɛizə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent doorreizen?
Doorreizen is een werkwoord. Het woord betekent: doorgaan met reizen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je doorreizen?
Je vervoegt doorreizen als volgt: de tegenwoordige tijd is doorreis, de verleden tijd is doorreisde en het voltooid deelwoord is doorgereisd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord doorreizen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. I 1
  8. Z 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

doorreizen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. I 2
  8. Z 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

doorreizen in het kort

doorreizen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van doorreizen zijn 100 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort doorreizen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

doorreizen: doorgaan met reizen
Deel doorreizen — standaardnederlands.nl