doorliggen
werkwoordBetekenis
- wonden krijgen door langdurig in dezelfde positie op bed te liggen
Vervoeging van doorliggen
doorliggenhele werkwoord — lag doorverleden tijd enkelvoud — lagen doorverleden tijd meervoud — doorgelegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lig door | lag door |
| jij | ligt door | laagt door |
| hij, zij, het | ligt door | lag door |
| wij | liggen door | lagen door |
| jullie | liggen door | lagen door |
| zij | liggen door | lagen door |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben doorgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te liggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen liggen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult liggen | bijzin, toekomende tijd |
| doorgelegen | verleden tijd, deelwoord |
| doorgelegen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgelegen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorlaagt | bijzin, verleden tijd |
| doorlag | bijzin, verleden tijd |
| doorlagen | bijzin, verleden tijd |
| doorlig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorliggend | onvoltooid, deelwoord |
| doorligt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is doorgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lag door | verleden tijd |
| lig door | gebiedende wijs |
| te zijn doorgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal doorgelegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgelegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgelegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doorgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgelegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgelegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgelegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doorliggen door zou(dt) liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgelegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgelegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgelegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgelegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorgelegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgelegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgelegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgelegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doorliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doorliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal doorliggen door zult/zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door en liggen
Woordfamilie van doorliggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgelegen | voltooid deelwoord | doorliggen |
| doorlag | subordinate-clause, verleden tijd | doorliggen |
| doorlagen | subordinate-clause, verleden tijd | doorliggen |
| doorlig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorliggen |
| doorligge | with-subordinate-clause | doorliggen |
| doorliggend | onvoltooid deelwoord | doorliggen |
| doorliggende | woordvorm | doorliggen |
| doorligt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorliggen |
| lag door | verleden tijd | doorliggen |
| lagen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorliggen |
| lig door | gebiedende wijs | doorliggen |
| ligge door | woordvorm | doorliggen |
| liggen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorliggen |
| ligt door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorliggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorliggen zijn vastgelegd.