doof
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /doːf/Betekenis
- niet of minder goed tot horen in staat zijn
- stom 4, 5, saai, vervelend
Hoe spreek je doof uit?
/dof/
Doof bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| f | fiets |
bijvoeglijk naamwoord
- slapend, zonder gevoel
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doven
- gebiedende wijs van doven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doven
Vervoeging van doof
doofhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands doof van Oudnederlands doof, in de betekenis van ‘niet kunnende horen’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Woordfamilie van doof
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doofs | partitive, positive | doof |
| doofst | uninflected, superlative | doof |
| doofste | inflected, superlative | doof |
| dovere | verbogen vergrotende trap | doof |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doof zijn vastgelegd.