dommelen
werkwoordBetekenis
- half in slaap zijn
Vervoeging van dommelen
dommelenhele werkwoord — dommeldeverleden tijd enkelvoud — dommeldenverleden tijd meervoud — gedommeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dommel | dommelde |
| jij | dommelt | dommelde |
| hij, zij, het | dommelt | dommelde |
| wij | dommelen | dommelden |
| jullie | dommelen | dommelden |
| zij | dommelen | dommelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dommel | gebiedende wijs |
| dommelde | verleden tijd |
| dommele | aanvoegende wijs |
| dommelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedommeld | verleden tijd, deelwoord |
| gedommeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedommeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedommeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedommeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedommeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedommeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedommeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dommelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedommeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dommelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘dutten’ voor het eerst aangetroffen in 1685
Woordfamilie van dommelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dommel | gebiedende wijs | dommelen |
| dommelde | verleden tijd | dommelen |
| dommelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dommelen |
| dommele | aanvoegende wijs | dommelen |
| dommelend | onvoltooid deelwoord | dommelen |
| dommelende | woordvorm | dommelen |
| dommelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dommelen |
| gedommeld | voltooid deelwoord | dommelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dommelen zijn vastgelegd.