Naar de inhoud

domiciliëren

als wettelijke vaste verblijfplaats kiezen voor

domiciliëren

werkwoord

Betekenis

  1. als wettelijke vaste verblijfplaats kiezen voor

Vervoeging van domiciliëren

domiciliërenhele werkwoord — domicilieerdeverleden tijd enkelvoud — domicilieerdenverleden tijd meervoud — gedomicilieerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik domicilieer domicilieerde
jij domicilieert domicilieerde
hij, zij, het domicilieert domicilieerde
wij domiciliëren domicilieerden
jullie domiciliëren domicilieerden
zij domiciliëren domicilieerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
domicilieer gebiedende wijs
domicilieerde verleden tijd
domiciliëre aanvoegende wijs
domiciliërend onvoltooid, deelwoord
er is gedomicilieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedomicilieerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedomicilieerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedomicilieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedomicilieerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedomicilieerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedomicilieerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedomicilieerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedomicilieerd verleden tijd, deelwoord
gedomicilieerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedomicilieerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedomicilieerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedomicilieerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedomicilieerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedomicilieerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedomicilieerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedomicilieerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedomicilieerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedomicilieerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedomicilieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te domiciliëren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedomicilieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen domiciliëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedomicilieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedomicilieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedomicilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedomicilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedomicilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedomicilieerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedomicilieerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedomicilieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedomicilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedomicilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedomicilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedomicilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedomicilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedomicilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedomicilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedomicilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedomicilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedomicilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedomicilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedomicilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedomicilieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedomicilieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen domiciliëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedomicilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedomicilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedomicilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedomicilieerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedomicilieerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedomicilieerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult domiciliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedomicilieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedomicilieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedomicilieerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse domicilier (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van domiciliëren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
domicilieer gebiedende wijs domiciliëren
domicilieerde verleden tijd domiciliëren
domicilieerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon domiciliëren
domicilieert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon domiciliëren
domiciliëre aanvoegende wijs domiciliëren
domiciliërend onvoltooid deelwoord domiciliëren
domiciliërende woordvorm domiciliëren
gedomicilieerd voltooid deelwoord domiciliëren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van domiciliëren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over domiciliëren

Wat betekent domiciliëren?
Domiciliëren is een werkwoord. Het woord betekent: als wettelijke vaste verblijfplaats kiezen voor.
Hoe vervoeg je domiciliëren?
Je vervoegt domiciliëren als volgt: de tegenwoordige tijd is domicilieer, de verleden tijd is domicilieerde en het voltooid deelwoord is gedomicilieerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord domiciliëren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. M 3
  4. I 1
  5. C 5
  6. I 1
  7. L 3
  8. I 1
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

domiciliëren levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. M 3
  4. I 2
  5. C 5
  6. I 2
  7. L 3
  8. I 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 25 zonder bonus
  14. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

domiciliëren in het kort

domiciliëren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van domiciliëren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort domiciliëren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

domiciliëren: als wettelijke vaste verblijfplaats kiezen voor
Deel domiciliëren — standaardnederlands.nl