disputeren
werkwoordBetekenis
- (wetenschappelijk) redetwisten
werkwoord
- redetwisten unergative
Vervoeging van disputeren
disputerenhele werkwoord — disputeerdeverleden tijd enkelvoud — disputeerdenverleden tijd meervoud — gedisputeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | disputeer | disputeerde |
| jij | disputeert | disputeerde |
| hij, zij, het | disputeert | disputeerde |
| wij | disputeren | disputeerden |
| jullie | disputeren | disputeerden |
| zij | disputeren | disputeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| disputeer | gebiedende wijs |
| disputeerde | verleden tijd |
| disputere | aanvoegende wijs |
| disputerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedisputeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedisputeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedisputeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedisputeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedisputeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedisputeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedisputeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedisputeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedisputeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedisputeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedisputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedisputeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedisputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedisputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedisputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedisputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedisputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedisputeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te disputeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedisputeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen disputeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedisputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedisputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedisputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedisputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedisputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedisputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedisputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedisputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedisputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedisputeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen disputeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedisputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedisputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedisputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult disputeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedisputeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘(wetenschappelijk) redetwisten’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van disputeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| disputeer | gebiedende wijs | disputeren |
| disputeerde | verleden tijd | disputeren |
| disputeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | disputeren |
| disputeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | disputeren |
| disputere | aanvoegende wijs | disputeren |
| disputerend | onvoltooid deelwoord | disputeren |
| disputerende | woordvorm | disputeren |
| gedisputeerd | voltooid deelwoord | disputeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van disputeren zijn vastgelegd.