disponeren
werkwoordBetekenis
- beschikken over
- regelen, beschikken
- gebruik maken van iets, toepassen
- geld opnemen
- een vordering innen
- aanleiding geven, de neiging doen ontstaan
Vervoeging van disponeren
disponerenhele werkwoord — disponeerdeverleden tijd enkelvoud — disponeerdenverleden tijd meervoud — gedisponeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | disponeer | disponeerde |
| jij | disponeert | disponeerde |
| hij, zij, het | disponeert | disponeerde |
| wij | disponeren | disponeerden |
| jullie | disponeren | disponeerden |
| zij | disponeren | disponeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| disponeer | gebiedende wijs |
| disponeerde | verleden tijd |
| disponere | aanvoegende wijs |
| disponerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedisponeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedisponeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedisponeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedisponeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedisponeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedisponeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedisponeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedisponeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedisponeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedisponeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedisponeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te disponeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedisponeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen disponeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen disponeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult disponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘beschikken, regelen’ voor het eerst aangetroffen in 1456
Woordfamilie van disponeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| disponeer | gebiedende wijs | disponeren |
| disponeerde | verleden tijd | disponeren |
| disponeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | disponeren |
| disponeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | disponeren |
| disponere | aanvoegende wijs | disponeren |
| disponerend | onvoltooid deelwoord | disponeren |
| disponerende | woordvorm | disponeren |
| gedisponeerd | voltooid deelwoord | disponeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van disponeren zijn vastgelegd.