dippen
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iets even in een vloeistof dopen
- tijdelijk in een negatieve stemming verkeren
- een kortdurende verlaging van een (meet-) waarde
- bepaalde krachtoefening voor de bovenarmen
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dip
Vervoeging van dippen
dippenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘eventjes indopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1829
Woordfamilie van dippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dippe | woordvorm | dippen |
| dippend | woordvorm | dippen |
| dippende | woordvorm | dippen |
| dipt | woordvorm | dippen |
| dipte | woordvorm | dippen |
| dipten | woordvorm | dippen |
| gedipt | woordvorm | dippen |
| gedipte | woordvorm | dippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dippen zijn vastgelegd.