Naar de inhoud

dichtzitten

afgesloten zijn

dichtzitten

werkwoord

Betekenis

  1. afgesloten zijn
  2. (van de lucht) door mist of wolken onzichtbaar zijn

werkwoord

  1. door mist of wolken onzichtbaar zijn intransitive

Vervoeging van dichtzitten

dichtzittenhele werkwoord — zat dichtverleden tijd enkelvoud — zaten dichtverleden tijd meervoud — dichtgezetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zit dicht zat dicht
jij zit dicht zat dicht
hij, zij, het zit dicht zat dicht
wij zitten dicht zaten dicht
jullie zitten dicht zaten dicht
zij zitten dicht zaten dicht
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
dicht te zitten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dicht te zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
dicht zal zitten bijzin, toekomende tijd
dicht zou zitten bijzin, voorwaardelijk
dicht zouden zitten bijzin, voorwaardelijk
dicht zoudt zitten bijzin, voorwaardelijk
dicht zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
dicht zullen zitten bijzin, toekomende tijd
dicht zult zitten bijzin, toekomende tijd
dichtgezeten verleden tijd, deelwoord
dichtgezeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgezeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtzat bijzin, verleden tijd
dichtzaten bijzin, verleden tijd
dichtzit bijzin, tegenwoordige tijd
dichtzittend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had dichtgezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had dichtgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had dichtgezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden dichtgezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden dichtgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden dichtgezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt dichtgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb dichtgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben dichtgezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben dichtgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben dichtgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben dichtgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt dichtgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft dichtgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft dichtgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben dichtgezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dichtzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal dichtgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal dichtgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal dichtgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal dichtzitten bijzin, toekomende tijd
zat dicht verleden tijd
zit dicht gebiedende wijs
zou dichtgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou dichtgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou dichtgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou dichtzitten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) dichtzitten dicht zou(dt) zitten bijzin, voorwaardelijk
zouden dichtgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden dichtgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden dichtgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden dichtzitten bijzin, voorwaardelijk
zoudt dichtgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt dichtzitten bijzin, voorwaardelijk
zullen dichtgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen dichtgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen dichtgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen dichtzitten bijzin, toekomende tijd
zult dichtgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult dichtzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult dichtzitten bijzin, toekomende tijd
zult/zal dichtzitten dicht zult/zal zitten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van dicht en zitten

Woordfamilie van dichtzitten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dichtgezeten voltooid deelwoord dichtzitten
dichtzat subordinate-clause, verleden tijd dichtzitten
dichtzaten subordinate-clause, verleden tijd dichtzitten
dichtzit subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtzitten
dichtzitte with-subordinate-clause dichtzitten
dichtzittend onvoltooid deelwoord dichtzitten
dichtzittende woordvorm dichtzitten
zat dicht verleden tijd dichtzitten
zaten dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dichtzitten
zit dicht gebiedende wijs dichtzitten
zitte dicht woordvorm dichtzitten
zitten dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon dichtzitten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtzitten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over dichtzitten

Wat is de betekenis van dichtzitten?
Dichtzitten is een werkwoord. De betekenis is: afgesloten zijn. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik dichtzitten?
Zo vervoeg je dichtzitten zo: het voltooid deelwoord is dichtgezeten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dichtzitten is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. I 1
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. Z 4
  7. I 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dichtzitten levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. I 2
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. Z 5
  7. I 2
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 28 zonder bonus
  13. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dichtzitten in het kort

dichtzitten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van dichtzitten staan er 43 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort dichtzitten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

dichtzitten: afgesloten zijn
Deel dichtzitten — standaardnederlands.nl