dichtslibben
werkwoordBetekenis
- afgesloten raken door opeenhoping van afgezet slib
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van dichtslibben
dichtslibbenhele werkwoord — slibde dichtverleden tijd enkelvoud — slibden dichtverleden tijd meervoud — dichtgeslibdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slib dicht | slibde dicht |
| jij | slibt dicht | slibde dicht |
| hij, zij, het | slibt dicht | slibde dicht |
| wij | slibben dicht | slibden dicht |
| jullie | slibben dicht | slibden dicht |
| zij | slibben dicht | slibden dicht |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben dichtgeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dichtgeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dicht te slibben | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dicht te zullen slibben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dicht zal slibben | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zou slibben | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zouden slibben | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zoudt slibben | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zullen slibben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dicht zullen slibben | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zult slibben | bijzin, toekomende tijd |
| dichtgeslibd | verleden tijd, deelwoord |
| dichtgeslibd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgeslibd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtslib | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtslibbend | onvoltooid, deelwoord |
| dichtslibde | bijzin, verleden tijd |
| dichtslibden | bijzin, verleden tijd |
| dichtslibt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is dichtgeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dichtgeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slib dicht | gebiedende wijs |
| slibde dicht | verleden tijd |
| te zijn dichtgeslibd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dichtslibben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart dichtgeslibd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgeslibd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dichtgeslibd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgeslibd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dichtgeslibd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dichtgeslibd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dichtgeslibd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal dichtgeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dichtgeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dichtslibben | bijzin, toekomende tijd |
| zijn dichtgeslibd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn dichtgeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dichtgeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dichtgeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dichtgeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dichtgeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dichtslibben | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dichtslibben dicht zou(dt) slibben | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dichtgeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dichtslibben | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dichtgeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dichtslibben | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dichtgeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtslibben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dichtslibben | bijzin, toekomende tijd |
| zult dichtgeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult dichtslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult dichtslibben | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal dichtslibben dicht zult/zal slibben | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van dicht en slibben
Woordfamilie van dichtslibben
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtgeslibd | voltooid deelwoord | dichtslibben |
| dichtgeslibde | woordvorm | dichtslibben |
| dichtslib | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtslibben |
| dichtslibbe | with-subordinate-clause | dichtslibben |
| dichtslibbend | onvoltooid deelwoord | dichtslibben |
| dichtslibbende | woordvorm | dichtslibben |
| dichtslibde | subordinate-clause, verleden tijd | dichtslibben |
| dichtslibden | subordinate-clause, verleden tijd | dichtslibben |
| dichtslibt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtslibben |
| slib dicht | gebiedende wijs | dichtslibben |
| slibbe dicht | woordvorm | dichtslibben |
| slibben dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dichtslibben |
| slibde dicht | verleden tijd | dichtslibben |
| slibden dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dichtslibben |
| slibt dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dichtslibben |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtslibben zijn vastgelegd.