dichtslaan
werkwoord ˈdɪx(t)slanBetekenis
- met een slag dichtgaan
- met een slag dichtdoen
Hoe spreek je dichtslaan uit?
/ˈdɪxtslan/
Dichtslaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| t | tak |
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dichtslaan
dichtslaanhele werkwoord — sloeg dichtverleden tijd enkelvoud — sloegen dichtverleden tijd meervoud — dichtgeslagenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sla dicht | sloeg dicht |
| jij | slaat dicht | sloeg dicht |
| hij, zij, het | slaat dicht | sloeg dicht |
| wij | slaan dicht | sloegen dicht |
| jullie | slaan dicht | sloegen dicht |
| zij | slaan dicht | sloegen dicht |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dicht te slaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dicht te zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dicht zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zou slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zouden slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zoudt slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dicht zullen slaan | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zult slaan | bijzin, toekomende tijd |
| dichtgeslagen | verleden tijd, deelwoord |
| dichtgeslagen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dichtgeslagen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dichtgeslagen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgeslagen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgeslagen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgeslagen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dichtgeslagen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dichtgeslagen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtgeslagen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtgeslagen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtsla | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtslaand | onvoltooid, deelwoord |
| dichtslaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtsloeg | bijzin, verleden tijd |
| dichtsloegen | bijzin, verleden tijd |
| er is dichtgeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was dichtgeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd dichtgeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt dichtgeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal dichtgeslagen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal dichtgeslagen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou dichtgeslagen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou dichtgeslagen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dichtgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sla dicht | gebiedende wijs |
| sloeg dicht | verleden tijd |
| te hebben dichtgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dichtslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dichtgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt dichtgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dichtgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dichtgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal dichtgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dichtslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zijn dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dichtgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dichtgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dichtslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dichtslaan dicht zou(dt) slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dichtgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dichtslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dichtgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dichtslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dichtgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dichtslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult dichtgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van dicht en slaan
Woordfamilie van dichtslaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtgeslagen | voltooid deelwoord | dichtslaan |
| dichtsla | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtslaan |
| dichtslaand | onvoltooid deelwoord | dichtslaan |
| dichtslaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtslaan |
| dichtsloeg | subordinate-clause, verleden tijd | dichtslaan |
| dichtsloegen | subordinate-clause, verleden tijd | dichtslaan |
| sla dicht | gebiedende wijs | dichtslaan |
| slaan dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dichtslaan |
| slaat dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dichtslaan |
| sloeg dicht | verleden tijd | dichtslaan |
| sloegen dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dichtslaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtslaan zijn vastgelegd.